id
stringlengths
1
5
text
stringlengths
7
37.8k
title
stringclasses
1 value
101
Art. 2.3.52.§ 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de aan te leggen parkings in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals op de bestaande parkings die minstens drie overtollige plaatsen tellen in de zin van de artikel 2.3.51, 4°. § 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen in een parking wordt bepaald volgens de regels waarin voorzien in de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 rekening houdend met : - enerzijds, de bereikbaarheidszone gedefinieerd in artikel 2.3.53 waarin het gebouw of deel van het gebouw gelegen is dat de inrichting moet bedienen waarvoor een milieuvergunning, een milieucertificaat of een verlenging van milieuvergunning wordt aangevraagd; - en anderzijds, de vloeroppervlakte van dat gebouw of deel van gebouw. § 3. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing : 1° op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie; 2° op de parkeerplaatsen die fungeren als publieke parking; 3° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor ambachts-, nijverheids-, logistieke, opslagactiviteiten of voor activiteiten voor de vervaardiging van materiële diensten, voor handelszaken, voor groothandel, voor grote speciaalzaken, voor voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst en voor hotelinrichtingen. Al deze begrippen moeten worden verstaan in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan; 4° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor taxidiensten zoals gedefinieerd onder artikel 2, 1° van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten, voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur of voor een autodeeldienst. In voorkomend geval, zal de aanvrager, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen vermelden die voor deze functies gebruikt moeten worden. De Regering kan een begeleidingsdienst aanstellen voor aanvragers die al hun parkeerplaatsen of een deel daarvan wensen te herbestemmen als parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie, openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° of andere bestemmingen dan parkeerplaatsen voor voertuigen. Om de vergunningsaanvrager te garanderen dat hij zich slechts tot één instantie moet richten tijdens de aanvraagprocedure van de milieuvergunning, zal Leefmilieu Brussel de contactinstantie voor de aanvrager zijn voor alles wat die milieuvergunning betreft (van de aanvraag van de vergunning tot de aflevering ervan). Deze opdracht zal worden uitgevoerd met de steun van het Parkeeragentschap voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parking ". Na de aflevering van de vergunning zal het Parkeeragentschap de taak hebben om voor de milieuvergunningshouder de instantie te worden voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parkings " (eventuele bijstand, controle van de naleving van de voorwaarden verbonden aan de toekenning van het label " openbaar gebouw ", bijwerking van het kadaster, eventuele exploitatie van plaatsen enz.). Op verzoek van de milieuvergunningshouder zal het Parkeeragentschap het beheer van de overtollige parkeerplaatsen in de zin van artikel 2.3.51,4° met een herbestemming als openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° op zich kunnen nemen.
102
Art. 2.3.53. § 1. Met het oog op de toepassing van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk, wordt het gewestelijk grondgebied opgedeeld in drie zones op grond van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer : 1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer; 2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer; 3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer. § 2. Zone A omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen : 1° op een wandelafstand van minder dan 500 meter van een IC/IR-spoorwegstation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens tien reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag; 2° op een wandelafstand van minder dan 400 meter : - van een metrostation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig metrostellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag; - of van een premetrostation, vanaf het Zuidstation tot en met het Noordstation, waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig tramstellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag. § 3. Zone B omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen : 1° op een wandelafstand van minder dan 400 meter : - van een spoorwegstation of -halte die niet bedoeld is in § 2 en waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens zes reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag; - of van een metrostation dat niet wordt bedoeld in § 2; - of van een premetrostation dat niet wordt bedoeld in § 2; - of van een tramhalte voor zover deze op weekdagen bediend wordt, beide richtingen samengeteld, door minstens vijftien tramstellen per uur, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag; 2° op een wandelafstand tussen 500 meter en 800 meter van een spoorwegstation dat wordt bedoeld in § 2, 1° ; 3° op een wandelafstand tussen 400 meter en 700 meter van een metro- of een premetrostation dat wordt bedoeld in § 2, 2°. § 4. Zone C omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen die niet vallen onder de zones bepaald in § 2 en § 3. § 5. De volgende regels zijn van toepassing op de bereikbaarheidszones bedoeld in § 1 tot 4 : 1° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg; 2° in het bijzondere geval van een ingesloten terrein geldt de regeling van het terrein dat dit ingesloten terrein de voornaamste voetgangerstoegang verschaft tot de openbare weg; 3° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg die het dichtst ligt bij elke toegang tot een spoorweghalte of -station, tot een metro-, premetro- of tramstation zoals bedoeld in § 2 en § 3; § 6. In het geval van gebouwen met meerdere ingangen die uitgeven op verschillende wegen, wordt de regeling van de meest restrictieve zone toegepast. § 7. De Regering maakt en publiceert om de twee jaar een kaart die door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bijgewerkt.
103
Art. 2.3.54. § 1. Onverminderd § 4 van onderhavig artikel, laat een milieucertificaat, een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning maximum het volgend aantal parkeerplaatsen bij gebouwen of delen van gebouwen toe : 1° voor de gebouwen gelegen in zone A : 2 parkeerplaatsen voor de eerste schijf van 250 m2 vloeroppervlakte plus 1 parkeerplaats per bijkomende schijf van 200 m2 vloeroppervlakte; 2° voor de gebouwen gelegen in zone B : 1 parkeerplaats per schijf van 100 m2 vloeroppervlakte; 3° voor de gebouwen gelegen in zone C : 1 parkeerplaats per schijf van 60 m2 vloeroppervlakte. § 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen dat overeenkomstig de vorige paragraaf wordt bepaald, wordt naar de hogere eenheid afgerond. § 3. Het aantal toegestane parkeerplaatsen wordt bepaald rekening houdend met het gebied waarin het gebouw of deel van het gebouw zich bevindt op het ogenblik dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. De wijziging van de gebieden in de loop van de daaropvolgende jaren doet geen afbreuk aan de geldigheid van de lopende milieuvergunning. § 4. In afwijking van §§ 1 tot 3 van onderhavig artikel, mag de bevoegde overheid, op verzoek van de aanvrager, een milieucertificaat of een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning uitreiken die een hoger aantal parkeerplaatsen toestaat dan dat wat voortvloeit uit de toepassing van §§ 1 en 3. In dat geval, worden de parkeerplaatsen niet beschouwd als overtollige parkeerplaatsen. Deze afwijking mag slechts worden verleend als ze afdoende gerechtvaardigd is door de noodzaak om over bijkomende plaatsen te beschikken voor de dienstvoertuigen, de bezoekers of de klanten, door de economische of sociale noodwendigheden eigen aan de beoogde activiteit in het gebouw of deel van het gebouw dat door de parking bediend wordt of door zijn beperkte bereikbaarheid gelet op de algemene kenmerken van de zone, gedefinieerd in toepassing van artikel 2.3.53 van onderhavig Wetboek, waarin dat gebouw of deel van gebouw gelegen is. Indien die afwijking verband houdt met een overschrijding van meer dan tien bijkomende plaatsen ten opzichte van het aantal dat voortvloeit uit de toepassing van § 1 tot § 3, voegt de aanvrager die om een dergelijke afwijking verzoekt, bij zijn aanvraag van milieucertificaat of -vergunning een raming van de impact van de gevraagde overschrijding op het milieu. Deze beoordeling wordt onafhankelijk opgemaakt door een daartoe geregistreerde of erkende persoon, in overeenstemming met titel 5. De houders van de erkenning die vereist is om een effectenbeoordeling uit te voeren, worden geacht erkend of geregistreerd te zijn met toepassing van deze bepaling. De kosten van de effectenbeoordeling vallen ten laste van de aanvrager.
104
Art. 2.3.55. § 1. Er bestaat een jaarlijkse belasting, " milieubelasting " genoemd, verschuldigd door de houders van de milieuvergunningen die, bij een aanvraag tot verlenging krachtens artikel 62 van de verordening van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen of van een nieuwe vergunning voor een bestaande installatie die voordien toegestaan was overeenkomstig artikel 13ter, § 2 of § 3 van dezelfde ordonnantie, ervoor gekozen hebben één of meer overtollige parkeerplaatsen te behouden, alsook door de personen die dergelijke plaatsen zonder vergunning of in strijd met de voorwaarden van hun milieuvergunning behouden of ingericht hebben. § 2. Deze belasting is verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op het ogenblik van de beslissing tot verlenging of vernieuwing van de milieuvergunning waarbij de schuldenaar heeft gekozen voor de toepassing van artikel 13ter, § 2 of § 3, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. De belasting is ook verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op de verjaardag van de verlenging of de uitreiking van een nieuwe milieuvergunning die aanleiding gaf tot de belasting die in het vorige lid vermeld wordt.
105
Art. 2.3.56. De schuldenaars van de milieubelasting zijn de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° en 2°, en vanaf 1 januari 2022 die bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°. Die houders zijn zowel de natuurlijke als de privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die de milieuvergunning voor zichzelf gevraagd en verkregen hebben als de overnemers van dergelijke vergunning, voor zover de overname conform artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen gebeurd is. Indien meerdere personen samen houder zijn van een milieuvergunning, zal de milieubelasting hoofdelijk en ondeelbaar aan elk van hen opgelegd worden. Het basisbedrag van de milieubelasting is vastgesteld op : a) 450 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° ; b) 350 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 2° ; c) 250 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°. Die basisbedragen worden jaarlijks, op 1 januari, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december van het voorafgaande jaar. De milieubelasting voor het eerste volledige jaar waarin één of meer overtollige parkeerplaatsen behouden worden, is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen. Voor de volgende jaren, wordt het basisbedrag jaarlijks met 10 % vermeerderd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning waarin de parkeerplaatsen worden toegestaan. Die verhoging wordt van jaar tot jaar gecumuleerd en dat gedurende een periode van 15 jaar. De milieubelasting voor deze jaren is gelijk aan het vermeerderde basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
106
Art. 2.3.57.De milieubelasting wordt jaarlijks geïnd via een kohier dat op basis van de gegevens van Leefmilieu Brussel opgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt. Deze door Leefmilieu Brussel geleverde gegevens worden ook bezorgd aan het Parkeeragentschap en aan het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stuurt elk jaar een aanslagbiljet naar de schuldenaars met vermelding van de indieningstermijn voor de vordering bedoeld in artikel 2.3.60 en de mogelijkheid om een vraag bedoeld in artikel 2.3.61, § 2 in te dienen.
107
Art. 2.3.58.§ 1. De schuldenaar van de milieubelasting die beslist om de overtollige parkeerplaatsen niet langer te behouden of hun aantal te verminderen overeenkomstig artikel 13ter, § 1, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deelt dit mee conform artikel 7bis van de vermelde ordonnantie. Leefmilieu Brussel is gemachtigd om na te gaan of de kennisgeving juist is door bezoeken aan het gebouw of deel van het betrokken gebouw af te leggen. § 2. De ingekohierde milieubelasting voor het jaar waarin de kennisgeving bedoeld in § 1 plaatsgevonden heeft, wordt ontheven volgens het aantal nog te verstrijken dagen tussen de kennisgeving en de volgende inkohiering en het aantal geschrapte overtollige parkeerplaatsen.
108
Art. 2.3.59. § 1. De milieubelasting wordt ook ingekohierd ten laste van hij die parkeerplaatsen behouden of ingericht heeft in overtreding van de voorwaarden van zijn vergunning of zonder vergunning. In dat geval, wordt het bedrag ervan verdubbeld. De milieubelasting wordt ingekohierd voor het jaar waarin de inbreuk vastgesteld wordt door de bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen alsook voor de vijf verstreken jaren sedert de inwerkingtreding van de taks waarvoor die dienst over bewijselementen beschikt die aantonen dat de onwettige parkeerplaatsen bestonden. De betaling van de milieubelasting door de overtreder geeft hem niet het recht om de onwettige plaatsen te behouden. Indien die plaatsen behouden worden of een nieuwe inbreuk tijdens een daaropvolgend jaar gepleegd wordt, wordt het bedrag van de milieubelasting verdrievoudigd. § 2. De bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen verricht de nodige onderzoeken om overtreders van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk op te sporen. De schuldenaars dienen de ambtenaren die daartoe gemandateerd zijn door de Regering toegang te verschaffen tot de gebouwen of delen van gebouwen waarin zich een parking bevindt. Die ambtenaren zijn gemachtigd om processen-verbaal op te maken en aan de schuldenaars mondelinge of schriftelijke uitleg te vragen zonder dat die laatste verplicht kunnen worden om zich te verplaatsen. De Regering regelt de toepassingsregels van onderhavige paragraaf.
109
Art. 2.3.60. De schuldenaar die een element van de milieubelasting betwist, beschikt over een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de derde werkdag na de verzending van het aanslagbiljet om een vordering tegen het Gewest, in de persoon van de Minister-President, in te dienen voor de fiscale kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel in de vormen waarin voorzien door artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek.
110
Art. 2.3.61.§ 1. Onverminderd de vordering bedoeld in artikel 2.3.60, wijst de Regering één of meer ambtenaren aan die door Leefmilieu Brussel bijgestaan worden om de problemen of de fouten op te lossen die zich bij de berekening of de inning van de milieubelasting kunnen voordoen en door de schuldenaars opgeworpen worden. De aangewezen ambtenaar kan dadingen met de schuldenaars sluiten, op voorwaarde dat ze geen vrijstelling of matiging van de belasting inhouden, en de aanslagen rechtzetten die via een herinkohiering gevestigd zijn. Hij kan in dit kader ook kwijtscheldingen of verminderingen van verwijlinteresten toekennen wanneer de schuldenaar te goeder trouw is en in de problemen geraakt is. Hij dient binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de voorlegging van de vraag te antwoorden op de vragen van de schuldenaars. Als hij niet antwoordt, wordt dit aanzien als een verwerping van de vraag. De Regering legt de nadere uitvoeringsregels van onderhavig artikel vast. § 2. De schuldenaar kan een schriftelijke vraag tot de in § 1 aangewezen ambtenaar richten zolang de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet ingediend is en uiterlijk tot zes maanden vanaf de derde werkdag na de versturing van het aanslagbiljet. Deze vraag schorst de indieningstermijn van de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet.
111
Art. 2.3.62. De artikelen 10, 12, 14, eerste lid, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 24, 25, 26, 27, 28 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing op de milieubelasting.
112
Art. 2.4.1 § 1. De gewestelijke overheden kopen alleen gebouwen met een hoge energieprestatie, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie, overeenkomstig bijlage 2.2 § 2 Bij het sluiten van elke overeenkomst waarbij het betrekken van een gebouw wordt toegestaan door de plaatselijke overheden, vormt de kost voor het betrekken van het gebouw een essentieel onderdeel van het contract. De kost voor het betrekken van een gebouw bestaat uit de som van het huurbedrag of de terugbetaling van de hypothecaire lening voor het gebouw en het bedrag van de lasten voortvloeiend uit het energieverbruik gekoppeld aan het gebruik van dat gebouw. De Regering bepaalt de berekeningsregels voor deze kost.
113
Art. 2.4.2. § 1. De Regering neemt de nodige maatregelen opdat de nieuwe gebouwen alsook de bestaande gebouwen die zwaar gerenoveerd worden en die worden gebruikt of bestemd zijn om door de overheden te worden gebruikt een voorbeeldrol zouden spelen op het vlak van energie- en milieuprestatie. Hiertoe legt zij, voor de in het vorig lid bedoelde gebouwen, strengere EPB-eisen op dan die welke krachtens artikel 2.2.3 van onderhavig Wetboek van toepassing zijn voor de overige gebouwen, en kan zij bovendien de mogelijkheden voor energie uit hernieuwbare bronnen in overweging nemen. § 2. Zodra het beoordelingssysteem van de energie- en milieukwaliteit van de gebouwen bedoeld in artikel 2.2.19 van onderhavig Wetboek ingevoerd is, zal de Regering de energie- en milieuvereisten van de nieuwe gebouwen of van de gebouwen die zwaar gerenoveerd worden of door overheden gebruikt zullen worden op basis van dat beoordelingssysteem bepalen. § 3. Wanneer de persoon voor wiens rekening de werken worden uitgevoerd een openbaar bestuur is, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden vanaf 1 januari 2019 aan de EPB-eisen van " zero energieverbruik ".
114
Art. 2.4.3. De overheden die aan de volgende voorwaarden beantwoorden, moeten een PLAGE uitvoeren overeenkomstig de artikelen 2.2.21 tot 2.2.25 : a) ze zijn eigenaar en/of betrekken gebouwen die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en; b) ofwel vertegenwoordigen die gebouwen samen een totale oppervlakte van 50.000 m2, ofwel zijn ze het bezit van en/of worden ze betrokken door een federale, gewestelijke of gemeenschapsinstantie. Een van de acties in het kader van het PLAGE die de Regering aan de overheden kan opleggen is het treffen van maatregelen die specifiek de verbetering van de energieprestatie van hun gebouwen beogen en meer bepaald een renovatiepercentage.
115
Art. 2.4.4.§ 1. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bevorderen de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest de productie-installaties die gebruik maken van energie uit hernieuwbare bronnen of kwaliteitswarmtekrachtkoppeling voor de voeding van de openbareverlichtingsinstallaties. De Regering kan eisen op het vlak van energie-efficiëntie en groene elektriciteit vastleggen voor de nieuwe openbare verlichtingsinstallaties en voor de vernieuwing van die installaties, naargelang hun bestemming en/of gebruik. § 2. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest ertoe gehouden om elke dertig maanden een verbeteringsprogramma inzake de energieprestatie van de openbare verlichting te bezorgen dat de volgende gegevens bevat : - het energiekadaster van de verlichting beheerd door het openbaar bestuur of het orgaan; - een voorstelling van de evolutie van het verbruik over de laatste vijf jaren; - het investeringsprogramma; - een voorstelling van de overwogen technologische en beheerskeuzes; - de bevoorradingsbronnen; - het verwachte verbruik voor de komende vijf jaren.
116
Art. 2.4.5.§ 1. De Regering bepaalt, bij besluit, milieuprestatie-eisen voor de voertuigen die door de gewestelijke en lokale overheden worden gekocht of geleased om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een dieselmotor zijn uitgerust in een eerste fase en van voertuigen met een verbrandingsmotor in een volgende fase. Dat besluit kan verschillende eisen opleggen naargelang : 1° het gebruik van de voertuigen; 2° de voertuigen al dan niet speciaal ontworpen werden voor de uitvoering van een openbare dienstopdracht waarmee het openbaar bestuur wordt belast; 3° de aankoopdatum van de voertuigen of de aanvang van de leasing. § 2. De gewestelijke en lokale overheden maken een jaarlijks verslag op over de aard en de samenstelling van hun wagenpark en bezorgen dat aan Leefmilieu Brussel en het Parlement. § 3. De Regering kan alle of een deel van de verplichte acties die moeten worden gevoerd in het kader van het bedrijfsvervoerplan bedoeld in artikel 2.3.21 van toepassing maken op de gewestelijke en lokale overheden die minder dan 100 werknemers op eenzelfde site tewerkstellen. Het gebruik van het voertuigenpark, en meer bepaald de progressieve vermindering van het aantal afgelegde kilometer, zal worden opgenomen in het vervoerplan.
117
Art. 2.4.6.In afwijking van artikel 2.4.5, legt de Regering specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor de voertuigen voor openbaar personenvervoer die door de MIVB worden gekocht of geleased. Deze doelstellingen en vereisten worden vastgelegd in het algemene bestek en in het beheercontract van de MIVB. In een jaarverslag, dat aan het Parlement wordt bezorgd, worden eveneens een stand van zaken en een jaarlijkse evaluatie van de naleving van de doelstellingen voorgesteld. De Regering legt ook specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een verbrandingsmotor zijn uitgerust. De milieudoelstellingen zullen rekening houden met het rechtsbeginsel van de continuïteit van de openbare dienst. Alle voertuigen bedoeld in het eerste lid en die vanaf 1 januari 2017 in dienst worden gesteld, zullen uitgerust zijn met minstens een elektrische motor die direct en substantieel bijdraagt tot de aandrijving van het voertuig De motoren van de voertuigen bedoeld in het eerste lid die in dienst worden gesteld vanaf 1 januari 2025 zullen geen uitstoot van uitlaatgassen meer mogen produceren die vervuilend is of broeikasgas of fijn stof bevat, met uitzondering van waterdamp
118
Art. 2.4.7. De Regering kan de te bereiken doelstellingen bepalen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen die de gewestelijke en lokale overheden voor eender welk doel bezitten en die worden ingezet op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De gewestelijke en lokale overheden bezorgen een jaarlijks verslag aan de Regering en het Parlement over het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die door hun wagenpark wordt gebruikt, volgens het model vastgelegd door de Regering.
119
Art. 2.4.8. In afwijking van artikel 2.4.7, kan de Regering specifieke milieudoelstellingen opleggen inzake het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen die de MIVB voor eender welk doel bezit. Deze doelstellingen worden vastgelegd in het algemeen bestek van de MIVB. De Regering kan ook specifieke milieudoelstellingen opleggen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen van het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp die special ontworpen zijn voor het uitvoeren van hun overheidsopdrachten.
120
Art. 2.4.9. Onverminderd artikel 2.4.5, zien de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen erop toe dat zij in hun bestellingen milieu- en energiecriteria opnemen. Die criteria beogen inzonderheid : - voorrang te verlenen aan producten en diensten met een hoge energieprestatie; - het gebruik van natuurlijke bronnen te verminderen; - de negatieve impact op het milieu te voorkomen. De Regering kan een lijst opmaken van de leveringen en diensten waarvoor milieuclausules doorslaggevend zijn. Bovendien kan zij een referentiesysteem voor duurzame aankopen invoeren dat de criteria vermeld in het tweede lid van dit artikel nader toelicht en aanvult. Desgevallend zal dat referentiesysteem verplicht worden voor de bestellingen die de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen doen.
121
Art. 2.5.1.§ 1. De Regering onderwerpt de volgende personen aan de toekenning van een erkenning : 1° de EPB-adviseur bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ; 2° de certificateur bedoeld in artikel 2.1.1, 16° ; 3° 4° de controleur bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ; 5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 en artikel 2.5.7; 6° 7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°. De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19. § 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie. De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
122
Art. 2.5.2.§ 1. De Regering bepaalt de verplichtingen van de personen die over een erkenning moeten beschikken. Deze verplichtingen hebben meer bepaald betrekking op de kennisgeving van bepaalde gegevens aan Leefmilieu Brussel. De Regering kan een specifieke door Leefmilieu Brussel erkende opleiding opleggen aan de persoon die over een erkenning moet beschikken. § 2. Leefmilieu Brussel verleent, schorst of trekt de erkenning van de in § 1 bedoelde personen in. De Regering legt de procedure en voorwaarden vast voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning, evenals de procedure en voorwaarden voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding bedoeld in het tweede lid van § 1.
123
Art. 2.5.3.Elke natuurlijke of rechtspersoon die een erkenningsaanvraag bedoeld in onderhavige ordonnantie indient, moet een dossierrecht betalen waarvan de opbrengst rechtstreeks en volledig doorgestort wordt aan het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen. Het dossierrecht bedoeld in het eerste lid is verschuldigd op de datum waarop de natuurlijke of rechtspersoon de erkenningsaanvraag indient. Het bedrag van het dossierrecht bedoeld in het eerste lid is vastgelegd op 50 euro voor een erkenningsaanvraag.
124
Art. 2.5.4. De Regering kan beslissen om de organen inzake kwaliteitscontrole te gelasten de kwaliteit van de activiteiten van de personen die krachtens artikel 2.5.1 aan erkenning onderworpen zijn na te gaan en de modaliteiten voor hun aanwijzing en opdrachten nader te bepalen. Om de nodige verificaties te verrichten, hebben die organen toegang tot de werf en tot de gebouwen. Wanneer het om bewoonde lokalen gaat, geldt die toegang tussen 8 en 20 uur, middels de schriftelijke en voorafgaande instemming van de eigenaar of de gebruiker van de werf en de gebouwen. Bij weigering, kan het orgaan het bezoek enkel verrichten middels de voorafgaande toestemming van de vrederechter die bevoegd is naargelang de ligging van het pand in kwestie.
125
Art. 2.5.5.De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de beslissingen tot toekenning, weigering, schorsing of intrekking van de erkenning of tegen de afwezigheid van beslissing binnen de voorziene termijn rekening houdend met de volgende elementen : 1) het beroep is mogelijk bij het Milieucollege; 2) het beroep dient binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing aan het Milieucollege te worden gericht per ter post aangetekend schrijven; 3) de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de postdatum van de aangetekende brief waarbij beroep werd ingesteld; 4) wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd; 5) de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3) verlengd tot vijfenzeventig dagen; 5)/1 de termijn voor kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend via de post in de periode van 15 juni tot 15 augustus; 6) de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
126
Art. 2.5.6.§ 1. De Regering voert een certificeringssysteem in voor installateurs HE voor kleine installaties. § 2. Het certificeringssysteem is op de volgende principes gebaseerd : 1° Er bestaan verschillende categorieën certificeringen. Die categorieën hebben ten minste betrekking op installateurs van ketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche zonne- of thermische systemen, ondiepe geothermische systemen en warmtepompen. 2° De certificering is ondergeschikt aan het volgen van een opleiding en het slagen voor een examen erkend door een orgaan dat aangesteld is door de Regering. 3° De certificering wordt afgeleverd voor een bepaalde duur en kan hernieuwd worden. § 3. In uitvoering van § 1 en in overeenstemming met § 2, treft de Regering een besluit over met name : 1° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, schorsing, intrekking en hernieuwing van de certificering; 2° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, de schorsing en de intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2°. § 4. De Regering kan beslissen om een kwaliteitscontroleorgaan te belasten met het controleren van de kwaliteit van de activiteiten van de installateurs HE en kan de modaliteiten voor de aanstelling alsook de opdrachten bepalen. § 5. In het kader van het certificeringssysteem bedoeld in § 1, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk zal instaan voor de volgende opdrachten : 1° de toekenning, hernieuwing, schorsing en intrekking van de certificering; 2° de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2° ; 3° een kwaliteitscontrole van het werk dat verricht werd door de installateurs HE. § 6. De certificaten afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie of een ermee gelijkgestelde Staat of een ander Gewest in overeenstemming met de criteria vastgelegd in Richtlijn 2009/28/EG, zijn erkend als zijnde gelijkwaardig met de certificaten die krachtens deze bepaling worden afgeleverd.
127
Art. 2.5.7 § 1. Elke grote onderneming moet tegen uiterlijk 31 december 2016 het voorwerp uitmaken van een energieaudit en daarna min- stens om de vier jaar na de laatste energieaudit. Voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met : 1° " grote onderneming " : eender welke entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent in de betekenis van het Europees recht, die voldoet aan de volgende criteria : - ofwel stelt ze ten minste 250 personen te werk ; - ofwel heeft ze een omzet van meer dan 50 miljoen euro en een jaarlijks balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro ; 2° " energieaudit " : een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en te kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten De energieaudits die in het eerste lid worden beoogd, worden op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier uitgevoerd door erkende auditeurs in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze titel. Ze voldoen aan de in bijlage 2.3 vastgelegde minimumcriteria. § 2. Zijn vrijgesteld van de bij § 1 bedoelde verplichting : - elke onderneming die een door een onafhankelijke organisatie gecertificeerd energie- of milieubeheersysteem implementeert in overeenstemming met de relevante normen, goedgekeurd door het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie, het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen of de Internationale Organisatie voor Normalisatie en ter beschikking gesteld van het publiek, voor zover dat systeem in een energieaudit voorziet die aan de op bijlage 2.3 gebaseerde minimumcriteria voldoet; onder " energie- of milieubeheersysteem " moet " een reeks van onderling verband houdende of op elkaar inwerkende elementen van een plan waarin een energie-efficiëntiedoelstelling en een strategie om deze doelstelling te verwezenlijken, is vastgelegd " verstaan worden; - elke onderneming die een audit heeft uitgevoerd in het kader van een aanvraag van milieuvergunning en op voorwaarde dat de audit geldig is op het ogenblik waarop de grote onderneming deze vrijstelling doet gelden
128
Art. 2.6.1.Wanneer uit de EPB-aangifte blijkt dat de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3 niet zijn nageleefd, legt Leefmilieu Brussel de aangever tot vijf jaar na de indiening van de EPB-aangifte een administratieve boete op voor een bedrag van : - 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-elementen, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage 2.4; - 60 euro per afwijking van 1 m2 op het vlak van niveau K, zoals bepaald in punt 2.1.2 van bijlage 2.4; - 4,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage 2.4; - 4 euro per afwijking van 1 m3/u op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage 2.4; - 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage 2.4; - 4,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage 2.4; - 125 tot 25.000 euro naargelang de afwijking tussen de EPB-vereiste inzake luchtdichtheid en de gemeten luchtdichtheid; - 125 tot 25.000 euro in functie van het vermogen van de betrokken installaties en van het verschil tussen de EPB-eisen en de vastgestelde situatie voor wat de andere eisen betreft. Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.
129
Art. 2.6.2.Wanneer het document opgemaakt na afloop van het onderhoud en de controle bedoeld in artikel 2.2.17 aan het licht brengt dat de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.15 andere dan deze bedoeld in artikel 2.6.5, g), niet zijn nageleefd, legt Leefmilieu Brussel de persoon die deze EPB-eisen voor de betrokken technische installatie in acht moet nemen , tot vijf jaar na de ontvangst van het document, een boete op van 125 tot 25.000 euro naargelang het vermogen van de betrokken installaties en van het verschil tussen deze EPB-eisen en de vastgestelde situatie.
130
Art. 2.6.3 Wanneer uit de in artikel 2.2.23, § 4, derde lid bedoelde verslagen van het orgaan en van de PLAGE-revisor blijkt dat het orgaan de doelstelling van vermindering van het energieverbruik bepaald overeenkomstig artikel 2.2.23, § 3 niet behaalt, legt Leefmilieu Brussel dit orgaan, tot vijf jaar na de ontvangst van de bovenvermelde verslagen, een administratieve boete op van 0,06 euro per overtollige kWh in primaire energie. Op 1 januari van elk jaar, wordt het bedrag van de boete aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december die eraan voorafgaat.
131
Art. 2.6.4 § 1 Onder voorbehoud van § 2, zijn de artikelen 45, leden 1, 2, 4 en 6 ; 47, 49, 51 en 54, §§ 1, 2 en 3 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven en milieuaansprakelijkheid van toepassing op de boeten bedoeld in dit hoofdstuk. § 2 In afwijking van artikel 45, tweede lid van dat wetboek, wordt de geldboete gestort op het rekeningnummer van het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen en in afwijking van artikel 45, zesde lid van dat wetboek de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet meegedeeld aan de Procureur des Konings. § 3. De betaling van de administratieve boete maakt een einde aan de mogelijkheid om een nieuwe boete op te leggen voor het gebrek aan inachtneming zoals bedoeld in het document of de vaststelling op basis waarvan de boete werd opgelegd § 4. Wordt er opnieuw een geval van gebrek aan inachtneming vastgesteld binnen de drie jaar vanaf de datum van het document zoals bedoeld in de artikelen 2.6.1, 2.6.2 of 2.6.3, dan kan het bedrag van de boete worden verdubbeld
132
Art. 2.6.5.Wordt gestraft met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, hij die : a) als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1; b) als aangever nalaat de wijziging mee te delen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9, § 2; c) als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8; d) als architect de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt; e) als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 , artikel 2.2.10, §§ 1 en 5 en de krachtens artikel 2.2.10, § 6 opgelegde verplichtingen niet nakomt; f) als architect of aangever respectievelijk het rekenbestand of de EPB-aangifte niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.11; g) als de persoon die de plicht heeft de verplichting volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft of de eisen niet in acht neemt die de Regering heeft vastgesteld krachtens artikel 2.2.15 wat aanleiding kan geven tot gevaren of hinder voor het milieu en de menselijke gezondheid; h) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 1° deze niet naleeft; i) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 2° deze niet naleeft; j) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 3° deze niet naleeft; k) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 2 deze niet naleeft; l) als aangever , EPB-adviseur of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid; m) zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt; n) als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorgaan belet zijn recht op vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig respectievelijk artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4; o)
133
Art. 2.6.6.Wordt gestraft met de straf voorzien in artikel 31, § 1 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid : a) het orgaan of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat een PLAGE-coördinator aan te stellen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1; b) het orgaan of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat het actieprogramma samen met het verslag van de PLAGE-revisor mee te delen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 3 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 3; c) het orgaan of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat het evaluatieverslag samen met het verslag van de PLAGE-revisor te bezorgen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4; d) e) de onderneming die, zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.5.7, § 1, deze niet nakomt
134
Art. 3.1.1.In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder : 1° " Lucht " : de buitenlucht in de troposfeer, met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn en waar het publiek normaal gezien geen toegang heeft; 2° " IRCEL " : de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu, opgericht door het samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de structurering van de gegevens; 3° " Verontreinigende stof " : elke stof die direct of indirect in de lucht aanwezig is en die schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel en die onder meer schadelijk kan zijn voor de biologische hulpbronnen en de ecosystemen, de klimaatveranderingen kan beïnvloeden, de materiële goederen kan aantasten en buitensporige geurhinder kan veroorzaken; 4° " Binnenvervuiling " : de slechte luchtkwaliteit in gesloten ruimten met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn; 5° " Niveau " : de concentratie van een verontreinigende stof in de lucht of de neerslag daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd; 6° " Beoordeling " : een methode die wordt gebruikt om het niveau van een verontreinigende stof in de omgevingslucht te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen; 7° " Grenswaarde " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen binnen een bepaalde termijn en, eenmaal bereikt, niet meer mag worden overschreden; 8° " Streefwaarde " : een niveau dat is vastgesteld om schadelijke effecten voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel op lange termijn te vermijden, te verhinderen of te verminderen en dat zoveel mogelijk binnen een gegeven periode moet worden bereikt; 9° " Alarmdrempel " : niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico's voor de menselijke gezondheid van de volledige bevolking inhoudt en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verplicht om dringende maatregelen te nemen; 10° " Kritiek niveau " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld waarboven rechtstreekse schadelijke gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, doch niet voor de mens; 11° " Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit " : Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht en de wijzigingsRichtlijnen; 12° " Overschrijdingsmarge " : het percentage van de grenswaarde voor luchtkwaliteit waarmee deze onder de door Richtlijn 2008/50/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden; 13° " Informatiedrempel " : een niveau waarboven kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen en voor wie een onmiddellijke en toereikende informatievoorziening noodzakelijk is; 14° " Langetermijndoelstelling " : een niveau dat op lange termijn zou moeten worden bereikt, behalve waar dit niet door geproportioneerde maatregelen kan worden bereikt, met het doel de menselijke gezondheid en het milieu een doeltreffende bescherming te bieden; 15° " Zone " : het gehele grondgebied van het Gewest of een door het Gewest met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit afgebakend gedeelte van zijn grondgebied; 16° " PM10 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM10 EN 12341 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 10 µm; 17° " PM2,5 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 EN 14907 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 µm; 18° " Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling " : een procentuele vermindering van de gemiddelde blootstelling van de Belgische bevolking die voor het referentiejaar wordt vastgesteld met het doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid te verminderen en die, waar mogelijk, binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt; 19° " Gemiddelde-blootstellingsindex " : een gemiddeld niveau dat wordt bepaald op basis van metingen verricht door de Gewesten en gecoördineerd door IRCEL op stedelijke-achtergrondlocaties verspreid over het gehele grondgebied van België. Deze index geeft de blootstelling van de bevolking weer; hij wordt gebruikt om de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling alsmede de blootstellingsconcentratieverplichting te berekenen; 20° " Stikstofoxiden " : de som van het totaal aantal volumedelen (ppbv) van stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt in massaconcentratie-eenheden van stikstofdioxide (µg/m3); 21° " Emissierecht " : overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van onderhavig Wetboek te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten; 22° " Besluit nr. 2011/278/EG " : Besluit van de Europese Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten; 23° " Installatie " : een vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage 3.3 vermelde activiteiten alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kan hebben voor de emissies en de verontreiniging; 24° " Subinstallatie " : deel van een installatie met product-, warmte- of brandstofbenchmark, zoals bepaald door de Regering conform artikel 3, b), c) en d) van het besluit nr. 2011/278/EU; 25° " Emissie van broeikasgassen " : uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen; 26° " Broeikasgassen " : de in bijlage 3.4. genoemde gassen en andere gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijke als antropogene, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen; 27° " Gespecificeerde broeikasgassen " : broeikasgassen vermeld in bijlage 3.3; 28° " Vergunning voor broeikasgasemissies " : deel van de milieuvergunning dat de houder ervan uitdrukkelijk toelating geeft tot het uitstoten van de gespecificeerde broeikasgassen op de betreffende installatie, onder de door onderhavig Wetboek vastgestelde voorwaarden en voor een periode die niet langer kan zijn dan de geldigheidsduur van de milieuvergunning; 29° " Nieuwkomer " : elke installatie die één of meer van de in bijlage 3.3 vermelde activiteiten uitvoert, en waaraan voor het eerst een vergunning voor broeikasgasemissies is verleend in de periode die begint 3 maanden vóór de indiening van de in artikel 3.3.3, eerste lid bedoelde lijst, en die afloopt 3 maanden vóór de datum van indiening van de volgende lijst uit hoofde van dat artikel ; 30° " Ton kooldioxide-equivalent " : een metrische ton kooldioxide (CO2) of een hoeveelheid van één van de andere in bijlage 3.4 van onderhavige titel bedoelde broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen; 31° " RVNKV " : Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatveranderingen; 32° " Kyotoprotocol " : protocol bij het RVNKV, opgsteld in Kyoto op 11 december 1997, en waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft ingestemd door de ordonnantie van 19 juli 2001; 33° " Emissieverminderende eenheid " of " EVE " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol; 34° " Gecertificeerde emissiereductie " of " GER " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 12 van het Kyotoprotocol en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol; 35° " Koolstofeenheid " : eenheid van de toegewezen hoeveelheid in toepassing van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen EVE, GER, of elke andere eenheid gecreëerd of erkend in toepassing van het RVNKV of zijn protocollen, overdraagbaar overeenkomstig de bepalingen van de protocollen en van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of de bepalingen van onderhavig Wetboek; 36° " Projectmechanisme " : mechanisme voorzien door het RVNKV of zijn protocollen dat voor een deel volgens de RVNKV bestaat in de investering in één of meer projecten om de emissie van broeikasgassen te beperken of te verminderen, een technologietransfer te bewerkstellingen en/of een duurzame ontwikkeling in de ontwikkelingslanden of landen met een overgangseconomie te bevorderen; 37° 38° 39° 40° " BELAC " : accreditatiesysteem ingevoerd door het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling. 41° " Lage-emissiezone (low emission zone : LEZ) " : zone zoals bepaald in artikel 2.63 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ; 42° " Wegcode " : code zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ; 43° " DIV " : de overheidsdienst belast met de inschrijving van de voertuigen
135
Art. 3.2.1.§ 1. In het domein van de lucht, heeft Leefmilieu Brussel onder meer de volgende opdrachten : 1° de luchtkwaliteit beoordelen met behulp van een methode die in overeenstemming is met de eisen van de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en die volgens een door de regering bepaalde procedure erkend is; 2° de nauwkeurigheid van de metingen waarborgen; 3° de beoordelingsmethoden analyseren; 4° de eventuele door de Europese Commissie georganiseerde communautaire kwaliteitswaarborgingsprogramma's coördineren op het grondgebied van het Gewest; 5° samenwerken met de andere Gewesten, de andere lidstaten en de Europese Commissie; 6° inventarissen en de prognoses van de luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassenemissies overeenkomstig de Europese regelgeving of internationale instrumenten opmaken ; deze inventarissen en prognoses worden bekend gemaakt op de website van Leefmilieu Brussel. § 2. Op het vlak van de binnenvervuiling, heeft Leefmilieu Brussel inzonderheid tot opdracht : 1° een diagnose op te stellen van de binnenvervuiling op een met redenen omkleed medisch verzoek of op verzoek van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst bedoeld in artikel 6 van de Brusselse Huisvestingscode en de systematische analyse van de chemische en biologische parameters die op een wetenschappelijk protocol gebaseerd zijn; 2° een verslag op te maken voor de geneesheer, vergezeld van adviezen voor verbetering ten behoeve van de bewoners; 3° de statistische raming te maken van de toestand van het milieu in de gediagnosticeerde gebouwen; 4° zelf aanbevelingen voor te bereiden ten behoeve van de Regering om de hinder verbonden aan de kwaliteit van de buitenlucht en de binnenvervuiling te verminderen door zich inzonderheid te baseren op de evolutie van de wetenschappelijke kennis in de epidemiologische, milieu- en metrologische domeinen en van de blootstellingsgraad van de bevolkingen en vooral van de kwetsbare groepen; 5° wetenschappelijke adviezen op uitdrukkelijk verzoek van de Regering te verstrekken. Deze adviezen en aanbevelingen worden op de site van Leefmilieu Brussel gepubliceerd.
136
Art. 3.2.2. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is een afzonderlijke zone. In voorkomend geval en met een met redenen omklede beslissing, kan de Regering het grondgebied van het Gewest opsplitsen in verschillende zones. De beoordeling van de luchtkwaliteit en van het beheer van de luchtkwaliteit wordt in alle zones verricht.
137
Art. 3.2.3. De beoordeling van de luchtkwaliteit slaat op de volgende verontreinigende stoffen : 1° zwaveldioxide; 2° stikstofdioxide en stikstofoxiden; 3° PM2,5; 4° PM10; 5° lood; 6° ozon; 7° benzeen; 8° koolmonoxide; 9° polycyclische aromatische koolwaterstoffen; 10° cadmium; 11° arseen; 12° nikkel; 13° kwik.
138
Art. 3.2.4. De Regering kan andere verontreinigende stoffen die niet in het artikel 3.2.3 vermeld zijn aan een soortgelijke controle onderwerpen, rekening houdend met de wetenschappelijke vooruitgang en de volgende criteria : 1° mogelijkheid, mate en frequentie van de effecten; met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu in zijn geheel, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de onomkeerbare gevolgen; 2° algemene aanwezigheid en hoge concentratie van de verontreinigende stof in de lucht; 3° milieutransformatie of metabolische omzettingen, aangezien dergelijke wijzigingen tot de vorming van chemische stoffen met een grotere toxiciteit kunnen leiden; 4° persistentie in het milieu, met name indien de verontreinigende stof resistent voor afbraak in het milieu is en kan accumuleren in mensen, het milieu of de voedselketen; 5° effect van de verontreinigende stof, met name : - omvang van de blootgestelde bevolking, levende soorten of ecosystemen; - bestaan van bijzonder gevoelige doelgroepen in het betrokken gebied; 6° mogelijkheid om risicobeoordelingsmethodes te gebruiken; 7° relevante gevaarcriteria vastgesteld in Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen.
139
Art. 3.2.5. § 1. De Regering legt de grenswaarden, de streefwaarden, de langetermijndoelstellingen, de kritieke niveaus alsook de alarm- en informatiedrempels vast voor de verontreinigende stoffen bedoeld in artikel 3.2.3 en, desgevallend, de termijnen binnen welke die niveaus gehaald dienen te worden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en rekening houdend met de meest recente gegevens van het wetenschappelijk onderzoek in de epidemiologische en milieudomeinen, de meest recente vooruitgang in de metrologie en de mate van blootstelling van de bevolkingsgroepen en met name van de kwetsbare groepen alsook, desgevallend : 1° van de klimatologische omstandigheden; 2° van de gevoeligheid van de flora en de fauna en van hun habitat; 3° van het aan verontreinigende stoffen blootgesteld historisch, cultureel en architecturaal erfgoed; 4° van de economische en technische haalbaarheid; 5° van het vervoer over lange afstand van verontreinigende stoffen, waaronder de secundaire verontreinigende stoffen, met inbegrip van ozon. § 2. De Regering kan een tijdelijke overschrijdingsmarge vastleggen voor de in § 1 bedoelde grenswaarden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit. Deze marge wordt op een door haar vast te stellen wijze verlaagd teneinde de grenswaarde uiterlijk op het einde van de gestelde termijn te bereiken.
140
Art. 3.2.6. De Regering kan voor de door haar vastgestelde verontreinigende stoffen een vooralarmdrempel vaststellen die overeenstemt met een niveau dat strenger is dan de alarmdrempel. Bij overschrijding van die vooralarmdrempel, moet aan de bevolking bijkomende informatie worden verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.14.
141
Art. 3.2.7. Voor elke verontreinigende stof, bepaalt de Regering, overeenkomstig de Europese Richtlijnen, criteria en technieken betreffende : 1° de plaats van de bemonsteringspunten. Er is rekening gehouden met het feit dat de meetstations over het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verspreid volgens de op wetenschappelijke basis vastgestelde representativiteit van de verschillende stedelijke omgevingen; 2° het minimumaantal bemonsteringspunten; 3° de referentiemeettechnieken en de bemonsteringstechnieken; 4° het gebruik van andere technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, met name : - de ruimtelijke resolutie voor de modellen en de methoden voor objectieve beoordeling; - de referentietechnieken voor de modellen; 5° gegevens kwaliteitsdoelstellingen.
142
Art. 3.2.8.Indien de grenswaarde of de streefwaarde van één of meer verontreinigende stoffen, telkens vermeerderd met elke overschrijdingsmarge, wordt overschreden, legt Leefmilieu Brussel een luchtkwaliteitsplan voor het betrokken gebied vast om de overeenstemmende grens- of streefwaarde binnen een zo kort mogelijk termijn te bereiken. Dat plan bevat minstens de informatie bedoeld in punt II, 5) van bijlage 1.1 voor de bedoelde verontreinigende stoffen. Het verduidelijkt en vervolledigt, indien nodig, de voorziene maatregelen door het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan bedoeld in artikel 1.4.1.
143
Art. 3.2.9.§ 1. Op basis van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan en de plannen inzake luchtkwaliteit en op advies van Leefmilieu Brussel, legt de Regering de maatregelen vast om de luchtvervuiling structureel te verminderen. Die maatregelen kunnen met name bestaan in : 1° de beperking en, in sommige gevallen, het verbod van sommige vormen van vervuiling; 2° de reglementering of het verbod om bepaalde apparaten, inrichtingen of producten te gebruiken die vervuiling kunnen teweegbrengen, met name door emissienormen voor elke vervuilingsbron op te stellen die prioritair wordt beschouwd in het kader van het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan; 3° richtsnoeren inzake ruimtelijke ordening die de emissies van luchtverontreinigende stoffen moeten verminderen en waarmee de gewestelijke en bijzondere bestemmingsplannen rekening moeten houden; 4° de vaststelling van emissiedrempels van verontreinigende stoffen rekening houdend met de internationale verdragen en Europese Richtlijnen betreffende de emissies van luchtverontreinigende stoffen. § 2. De Regering ziet er inzonderheid op toe dat de daartoe getroffen maatregelen : 1° rekening houden met een geïntegreerde aanpak van de bescherming van de lucht, het klimaat, het water en de bodem; 2° geen significante negatieve gevolgen hebben voor het milieu in de andere Gewesten en lidstaten van de Europese Unie; 3° de beste luchtkwaliteit in stand houden die verenigbaar is met een duurzame ontwikkeling.
144
Art. 3.2.10. De Regering kan, in overleg met de betrokken actoren, alle nodige maatregelen nemen die geen buitensporige kosten met zich brengen om de blootstelling aan PM2,5 te verminderen teneinde te beantwoorden aan de verplichting inzake concentraties bij een opgegeven blootstelling en met het oog op het halen van de nationale doelstelling inzake vermindering van de blootstelling, zoals vermeld in bijlage 3.1 en dit binnen de in de aangehaalde bijlage voorziene termijnen.
145
Art. 3.2.11.Om het hoofd te kunnen bieden aan een dreigende overschrijding of overschrijding van een grenswaarde of alarmdrempel, keurt de Regering een actieplan goed. Dit plan omvat meer bepaald : 1° de identificatie van de verschillende soorten crisissen, de identificatie van de drempels die één van deze crisissen veroorzaken zodra ze worden overschreden alsook de identificatie van de verschillende autoriteiten die moeten tussenkomen indien elk van hen zich voordoet; 2° de oprichting van instanties voor crisisbeheer, met name de oprichting van een Crisiscomité; 3° elke maatregel die op korte termijn moet worden genomen om de gevolgen van hoge niveaus van verontreinigende stoffen voor de gezondheid te verminderen; 4° elke maatregel die nodig is om zo snel mogelijk de emissies die de hoge niveaus van verontreinigende stoffen veroorzaken te verminderen. Deze maatregelen bestaan meer bepaald in : 1° controlemaatregelen; 2° maatregelen tot vermindering of stopzetting van de activiteiten die vervuiling veroorzaken, tot vermindering van de uitstoot van vaste en mobiele bronnen, van het autoverkeer, en een alternatief in het openbaar vervoer aan te moedigen; 3° meer specifieke maatregelen met het oog op de bescherming van de kwetsbare bevolkingscategorieën, meer bepaald de kinderen; 4° maatregelen om het publiek te informeren. Het actieplan op korte termijn zal bekend gemaakt worden op de internetsite van Leefmilieu Brussel.
146
Art. 3.2.12. Wanneer een alarmdrempel, grenswaarde of streefwaarde, verhoogd met elke relevante overschrijdingsmarge, of een langetermijndoelstelling ten gevolge van een aanzienlijke grensoverschrijdende verplaatsing van verontreinigende stoffen of de precursoren daarvan, afkomstig van andere lidstaten van de Europese Unie, wordt overschreden, werkt de Regering samen met de overige Gewesten en de federale Overheid om, indien nodig, gezamenlijke activiteiten met de andere betrokken lidstaten te ontplooien, ten einde in de mate van het mogelijke een einde te maken aan deze overschrijdingen.
147
Art. 3.2.13.§ 1. Leefmilieu Brussel verstrekt voortdurend informatie aan de bevolking alsook aan de adequate instellingen, met name de milieubeschermingsinstellingen, de consumentenorganisaties, de instellingen die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen verdedigen en de andere betrokken gezondheidsinstellingen. De informatieverstrekking gebeurt aan de hand van gemakkelijk toegankelijke communicatiemiddelen, met name het internet, waar zij zich voortdurend kunnen informeren over de luchtkwaliteit overeenkomstig bijlage 3.2 § 2. Leefmilieu Brussel informeert het publiek over de plannen betreffende de luchtkwaliteit en de actieplannen op korte termijn die respectievelijk worden beoogd in artikelen 3.2.8 en 3.2.11 § 3. Leefmilieu Brussel stelt de bevolking jaarrapporten ter beschikking voor alle in dit Wetboek behandelde verontreinigende stoffen. Deze rapporten bieden een samenvatting van de niveaus waarbij er een overschrijding is van de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatie- en alarmdrempels voor de periodes die stroken met deze normatieve waarden. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een korte beoordeling van de effecten van deze overschrijdingen. Desgevallend bevatten de rapporten bijkomende informatie en evaluaties aangaande de bescherming van bossen alsook informatie over andere verontreinigende stoffen waarvoor de bepalingen van dit Wetboek in toezicht voorzien, met name de niet gereglementeerde ozonprecursoren. § 4. Leefmilieu Brussel stelt ook informatie over de diverse bronnen van binnenvervuiling ter beschikking.
148
Art. 3.2.14. Bij overschrijding van een alarmdrempel of, in voorkomend geval, van een vooralarmdrempel, moet een fase van bijkomende informatie aan de bevolking worden opgestart. Gedurende deze fase bestaat de informatie uit : 1° een persmededeling met : - een samenvatting van de analyse van de toestand uitgevoerd door IRCEL naargelang de gegevens betreffende de luchtkwaliteit in het Gewest en de naburige Gewesten en landen, de meteorologische gegevens en weersvoorspellingen en de mogelijke oorzaken van de stijging van het verontreinigingsniveau; - raadgevingen aan de bevolking om de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid te beperken; 2° de aanpassing van de informatie verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.13 : het bericht wordt verschillende keren per dag bijgewerkt en aangevuld met raadgevingen voor de personen uit de gevoelige subgroepen; 3° de aanplakking van geactualiseerde informatie in de openbare ruimte.
149
Art. 3.2.15.Bij overschrijding van één of meer alarmdrempels, wordt het persbericht gepubliceerd in twee Nederlandstalige kranten en in twee Franstalige kranten die in het Gewest worden verspreid en officieel op radio en televisie aangekondigd op een uur met grote luister- en kijkdichtheid. Dat bericht wordt ook gepubliceerd op de internetsite van Leefmilieu Brussel. Bovendien kan Leefmilieu Brussel de Regering bijkomende informatiemaatregelen voorstellen.
150
Art. 3.2.16 § 1. De Regering bepaalt één of meerdere lage-emissiezones op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die permanent van toepassing is (zijn) om de luchtkwaliteit te verbeteren. § 2. De beperking van het toegangsrecht van voertuigen tot de lage-emissiezone(s) wordt verbonden aan de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het gemotoriseerde voertuig, zoals bepaald door de Regering. De Regering kan voorts afwijkingen definiëren op de beperking van het toegangsrecht tot de lage-emissiezone(s) in functie van de aard, het type, het gebruik van het betreffende motorvoertuig, socio-economische criteria, evenals in geval van uitzonderlijke situaties welke beperkt zijn in de tijd. De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning van de afwijkingen en stelt de statutaire of contractuele ambtenaren aan die deze zullen toekennen. Onverminderd de registratie zoals bedoeld in § 3, dienen bepaalde door de Regering te bepalen types van voertuigen geregistreerd te worden om toegang te krijgen tot de LEZ. De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie. § 3. Elk voertuig dat niet is geregistreerd in het repertorium van de voertuigen zoals vermeld in de artikelen 6 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, moet voorafgaandelijk geregistreerd worden om toegang te verkrijgen tot de lage-emissiezone(s). De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie. § 4. Het plaatsen van verkeerstekens die de lage-emissiezone(s) aangeven, met name de verkeerstekens F117 en F118, bedoeld in artikel 71.2 van de Wegcode, gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens. § 5. De Regering kan een systeem van tijdelijke toegang tot de lage-emissiezone(s) tegen betaling invoeren. De Regering : 1° legt de modaliteiten van dit systeem vast en legt de procedure voor aanvraag, toekenning en betaling van deze tijdelijke toegang tegen betaling vast ; 2° bepaalt desgevallend het bedrag van de retributie die voor deze toegang verschuldigd is
151
Art. 3.2.17. § 1. In het kader van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, worden de gegevens die strikt noodzakelijk en pertinent zijn, verzameld in een databank. De door de Regering gemandateerde diensten beheren deze databank overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Onverminderd de bepalingen van artikel 3.2.19, verloopt de toepassing en de controle van de wetgeving inzake lage-emissiezones, evenals de vaststelling van overtredingen, onder meer door middel van nummerplaatherkenning, met of zonder vaste of mobiele automatische toestellen. De ingezamelde gegevens mogen slechts gebruikt worden voor doeleinden die de regelgeving inzake de persoonlijke levenssfeer respecteren. § 2. Indien de § 1 bedoelde gegevens, met uitzondering van de gegevens bedoeld in § 3, geen substantiële rol kunnen vervullen teneinde een overtreding te bewijzen, worden ze niet langer dan drie maanden bewaard, tenzij de gegevens nodig zijn in het kader van opvolgingsonderzoek of voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden waarbij de wetgeving inzake de persoonlijke levenssfeer wordt gerespecteerd. Om dit te doen, worden de persoonsgegevens anoniem gemaakt van zodra hun individualisering niet meer noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze werden verzameld. De Regering kan de modaliteiten inzake de inhoud en de werking van deze databank bepalen. De gegevens zullen meegedeeld kunnen worden aan Leefmilieu Brussel of aan een andere instelling aangeduid door de Regering met het oog op hun latere verwerking voor historische, statistische en wetenschappelijke doeleinden. De persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze werden verzameld. § 3. De gegevens gelieerd aan de registraties zullen worden bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de betrokken registraties. De gegevens verstrekt door de eigenaar of bestuurder van een voertuig met het oog op het bekomen van toegang tot de LEZ mogen worden bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de geldigheid van de bekomen toegang. § 4. De vaststellingen gebaseerd op materiële bewijzen verstrekt door automatisch werkende toestellen in het bijzijn van een gekwalificeerde agent gelden als bewijs, tot bewijs van het tegendeel, indien het gaat om overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan. § 5. De vaststellingen gebaseerd op materiële bewijzen verstrekt door automatisch werkende toestellen zonder het bijzijn van een gekwalificeerde agent gelden als bewijs, tot bewijs van het tegendeel, indien het gaat om overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan. Indien een overtreding werd vastgesteld door automatisch werkende toestellen zonder het bijzijn van een gekwalificeerde agent, wordt dit vermeld in het proces-verbaal. § 6. Met " gekwalificeerde agent " wordt in het kader van dit artikel bedoeld : - de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan ; - de officieren of agenten van de gerechtelijke politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden ; - de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden
152
Art. 3.2.18. § 1. De persoon die de boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 verschuldigd is, is de bestuurder van het voertuig op het moment van de feiten. Er wordt vermoed, tot bewijs van het tegendeel, dat dit de persoon is op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd is bij de overheid die belast is met de inschrijving van voertuigen of het buitenlandse equivalent hiervan. Het bewijs van het tegendeel kan geleverd worden door alle wettelijke bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Om het vermoeden om te keren, dient voornoemde persoon bovendien de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen. De persoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven of geregistreerd bij de instantie verantwoordelijk voor de inschrijving van voertuigen of haar buitenlandse tegenhanger, blijft hoofdelijk gehouden tot betaling van de boete wegens het gebruik van zijn voertuig in een lage-emissiezone in het geval dat hij niet de bestuurder was en aan één van onderstaande voorwaarden voldaan is : 1° de bestuurder is op het ogenblik van de feiten onvermogend ; 2° de bestuurder bevindt zich op het ogenblik van de feiten in één van de situaties zoals bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ; 3° de betaling van de boete is niet binnen de voorgeschreven termijn uitgevoerd. § 2. In het geval van een samenstel van voertuigen, dient er rekening gehouden te worden met de inschrijving van het motorvoertuig. § 3. Indien het vermoeden betwist wordt door een rechtspersoon, zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen verplicht de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de betrokken feiten mee te delen of, indien ze deze niet kennen, de identiteit van de natuurlijke persoon verantwoordelijk voor het voertuig
153
Art. 3.2.19. § 1. Onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie, zijn de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor wat betreft de voertuigen die zich op de openbare weg bevinden, statutaire of contractuele ambtenaren die aangeduid zijn door de Regering. § 2. De ambtenaren vermeld in § 1 hebben slechts de hoedanigheid van agent of officier van de gerechtelijke politie nadat ze de eed hebben afgelegd. De formule van de af te leggen eed luidt als volgt : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ". De Regering bepaalt de modaliteiten voor de eedaflegging, de wijze en de aanwervingsvoorwaarden voor de bovenvermelde ambtenaren. § 3. De ambtenaren bedoeld in § 1 moeten zich bekendmaken, op vraag, door een legitimatie- of verantwoordingsbewijs voor te leggen dat tenminste de naam, voornaam en foto van de titularis van het bewijs bevat, met de vermelding van de reglementering in uitvoering van welke zij handelen. Zij kunnen zich eveneens kenbaar maken door eventueel een uniform te dragen, waarvan de kenmerken en het verplicht karakter ervan bepaald worden door de Regering. § 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder de " in te vorderen bedragen " verstaan : de hierna vermelde schulden, in zoverre ze zeker, vaststaand en opeisbaar zijn : 1. de kosten ; 2. de toebehoren ; 3. de opdeciemen ; 4. de opcentiemen ; 5. de gewestelijke taksen ; 6. de boetes ; 7. interesten ; 8. elke andere schuld verschuldigd aan het Gewest. § 5. In het kader van de uitoefening van hun taken, zijn de ambtenaren bedoeld in § 1 bevoegd om : 1° instructies te geven aan de bestuurders en het verkeer te regelen, zoals bepaald in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en met name aan de bestuurder het bevel te geven het voertuig tot stilstand te brengen ; 2° de nodige administratieve gegevens te laten voorleggen, te raadplegen en er een kopie van te nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder van een voertuig in zijn bezit moet hebben en, in ruimere zin, alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven ; 3° informatie te verzamelen en controles uit te voeren middels het ondervragen van personen en middels het raadplegen van documenten en andere informatiedragers ; 4° de assistentie van de lokale en de federale politie te vorderen in het kader van controles ; 5° over te gaan tot vaststellingen door middel van audiovisuele middelen of vaste en mobiele automatische controletoestellen ; 6° over te gaan tot de onmiddellijke inning van de administratieve boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 en desgevallend van de in te vorderen bedragen, de andere kosten, toebehoren, interesten, opdeciemen, opcentiemen, taksen of boetes die de gecontroleerde persoon nog verschuldigd zou zijn. § 6. In afwijking van artikel 3.2.21, in geval van controle op de openbare weg, betaalt de bestuurder van het voertuig bij overtreding van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, de boetes bedoeld in artikel 3.4.1/1 en de in te vorderen bedragen in handen van de ambtenaar vermeld in § 1. Het proces-verbaal met de vaststelling van de overtreding wordt persoonlijk aan de overtreder overhandigd en desgevallend wordt een afschrift opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat. De Regering kan bij besluit preciezere betalingsmodaliteiten vastleggen. In geen geval kan er overgegaan worden tot een onmiddellijke inning als de overtreder jonger is dan 18 jaar. § 7. Indien de bedragen vermeld in voorgaande paragraaf niet betaald worden op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig aangehaald door de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19, totdat de verschuldigde bedragen betaald zijn. Een door de bevoegde ambtenaar opgesteld proces-verbaal van aanhaling heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. In het kader van de aanhaling waarvan sprake in het eerste lid, kan de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19 één of meerdere van de onderstaande maatregelen nemen : - de inhouding van de boorddocumenten ; - de inhouding van de vrachtbrief ; - de plaatsing van een wielklem ; - de afvoer van het voertuig in overtreding naar een stalplaats ; - het parkeren van het voertuig. Het aangehaalde voertuig mag niet verplaatst worden zonder de toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en). De eigenaar van het aangehaalde voertuig mag dit voertuig niet vervreemden zonder toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en). § 8. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling zijn ten laste van de personen die de boete verschuldigd zijn zoals bepaald in artikel 3.2.18. De aanhaling wordt opgeheven na de betaling van de verschuldigde bedragen. § 9. De onmiddellijke betaling van de verschuldigde sommen dooft de mogelijkheid om de overtreder te beboeten, waarin voorzien door de procedure in artikel 3.2.21, uit. De betaler ontvangt bovendien een bewijs van onmiddellijke betaling
154
Art. 3.2.20. § 1. De krachtens artikel 3.2.19, § 1 aangestelde ambtenaren zijn gemachtigd om door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, maar met uitzondering van de eed, en door de processen-verbaal die ze opstellen, elke overtreding van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan vast te stellen, evenals elk feit dat de verschuldigdheid van de in te vorderen bedragen vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling ervan. § 2. Elke inlichting, elk stuk, elk proces-verbaal of elke akte door de ambtenaren bedoeld in § 1 verkregen in de uitoefening van hun functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van één van de administratieve diensten, instellingen van publiekrechtelijke aard, vennootschappen van publiek recht, organisaties die van het Gewest afhangen of administratieve diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van alle rechtscolleges, van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies of gemeenten, kan worden ingeroepen voor het onderzoek naar elk feit dat voormelde verschuldigdheid vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling daarvan. § 3. De bestuursdiensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals de openbare instellingen en organisaties die ervan afhangen, zijn gehouden om, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een door de Regering aangeduide ambtenaar, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem zonder verplaatsing, alle akten, stukken, registers en allerhande documenten te verstrekken en om hem alle inlichtingen in te laten winnen of afschriften of uittreksels te laten nemen die hij noodzakelijk acht om de vestiging of de inning te verzekeren van de in § 1 vermelde bedragen. Onder " openbare instellingen " of " organisaties " dient te worden verstaan : de instellingen, vennootschappen, verenigingen, inrichtingen en diensten van de administratie welke het Brussels Hoofdstedelijk Gewest medebeheert, waaraan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een waarborg verstrekt, op wier werkzaamheden het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toezicht uitoefent of waarvan het leidinggevend personeel aangesteld wordt door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op haar voordracht of met haar goedkeuring. De verplichtingen opgenomen in deze paragraaf gelden ook voor de agglomeratie, de federaties van gemeenten en de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
155
Art. 3.2.21. Wanneer een overtreding van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt vastgesteld door een ambtenaar aangesteld krachtens artikel 3.2.19, § 1, stelt deze een proces-verbaal op met bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. Dit proces-verbaal vermeldt minstens de overtreding en de verschuldigde bedragen, eventueel samengeteld met deze bedoeld in artikel 3.2.20 waarvan hij kennis zou hebben, alsook de elementen die de identificatie moeten mogelijk maken van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat en, in voorkomend geval, van de bestuurder van het voertuig bij een controle op de openbare weg. Het proces-verbaal, vergezeld van een verzoek tot betaling binnen een termijn van twee maanden te tellen vanaf de zevende dag die volgt op de verzending, wordt verstuurd aan de overtreder. Desgevallend, bij een controle op de openbare weg, wordt het proces-verbaal persoonlijk aan de overtreder overhandigd en opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat, indien dit een andere persoon is. De Regering kan de modaliteiten voor de betaling bepalen
156
Art. 3.2.22. § .1. In het geval dat de boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 niet betaald wordt binnen de termijn waarin voorzien in artikel 3.2.21, wordt deze vermeerderd met 20 % van het bedrag van de niet of buiten de termijn betaalde boete. Er is van rechtswege interest verschuldigd indien de boete niet binnen de termijn betaald wordt ; deze wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op alle verschuldigde boeten en vermeerderingen. Elke fractie wordt berekend voor één maand. De interest is slechts verschuldigd als deze 2,50 euro bedraagt. Bij terugbetaling van de boete, is van rechtswege een interest verschuldigd ; hij wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op het bedrag van de terug te betalen boete. Ieder gedeelte van een maand wordt berekend voor één maand. De interest wordt slechts terugbetaald als deze 2,50 euro bedraagt. § 2. In geval van niet-betaling van de boete, zoals vermeerderd krachtens § 1, binnen de termijnen, kan de statutaire of contractuele ambtenaar die door de Regering belast werd met de invordering, een dwangschrift uitvaardigen en overgaan tot de betekening van een dwangbevel en eventueel overgaan tot het leggen van uitvoerend roerend beslag op het voertuig of tot iedere andere uitvoeringsmaatregel. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bovengenoemde ambtenaar. Het dwangschrift en het dwangbevel kunnen naast de bedragen bedoeld in voorgaand lid ook andere onbetaalde schulden bevatten die betrekking hebben op taksen, boetes, opcentiemen, opdeciemen, interesten, kosten en toebehoren die door de fiscale administratie geïnd worden, en dit voor zover deze schulden zeker, vaststaand en opeisbaar zijn. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit het beslag zijn ten laste van de persoon die op grond van artikel 3.2.18. de betaling verschuldigd is. Het beslag wordt opgeheven na de betaling van alle bedragen en hieruit voortvloeiende kosten, opgenomen in het dwangbevel. Op verzoek van de fiscale administratie kan de politierechtbank de verbeurdverklaring van de nummerplaat van het voertuig uitspreken en bevelen dat deze teruggegeven wordt aan de instantie belast met de inschrijving van voertuigen. Het dwangbevel wordt betekend via gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende zending per post, of elektronisch aangetekende zending. § 3. De betekening vermeld in § 2 heeft de effecten vermelde in artikel 15, § 2 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 4. De artikelen 16 en 17 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing in de gevallen bedoeld in huidig artikel. De uitvoering van het dwangbevel kan slechts worden onderbroken door een gemotiveerd verzet, ingediend door de persoon die de betaling verschuldigd is. Dit verzet is enkel geldig voor daarin uitdrukkelijk betwiste en gemotiveerde vorderingen. Dit verzet dient te worden ingeleid bij gemotiveerd verzoekschrift op tegenspraak voor de politierechtbank. Deze vordering dient te worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 1034bis tot sexies van het Gerechtelijk Wetboek. § 5. Voor de toepassing van §§ 3 en 4, dient de ordonnantie van 21 december 2012 tot instelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begrepen te worden als volgt : 1° onder de begrippen " belasting " en " gewestbelasting " : de krachtens artikel 3.4.1/1 verschuldigde bedragen ; 2° onder de bewoordingen " de in artikel 15, § 1, bedoelde kennisgeving ", zoals vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid : " de betekening vermeld in § 2 van artikel 3.2.22 ; 3° onder de begrippen " artikel 15 " en " artikel 15, § 1 " vermeld in artikel 17, § 3 : artikel 2.21. § 6. Het is aan de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaren om de moeilijkheden op te lossen die zich zouden kunnen voordoen bij de inning van de boete vóór het inleiden van de vordering. Zij kunnen minnelijke schikkingen treffen met de personen die de betaling verschuldigd zijn, mits deze geen vrijstelling of matiging van de belasting of een vermindering van de boetes bedoeld in § 2, tweede lid inhouden. § 7. Onverminderd artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het resultaat van de verkoop van het voertuig in de volgende volgorde verrekend : 1° op de kosten van alle aard, ook al betreffen deze andere verschuldigde boetes of taksen ; 2° op de verwijlinteresten ; 3° op de administratieve boetes ; 4° op de verschuldigde taksen en de opcentiemen of opdeciemen. Het eventuele saldo wordt terugbetaald aan de persoon aan wie het voertuig toebehoorde
157
Art. 3.2.23. § 1. De persoon aan wie een administratieve boete opgelegd werd op basis van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, of desgevallend de persoon die hoofdelijk gehouden is tot betaling, kan een schriftelijke bezwaar indienen tegen het bedrag van de boete bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar. De persoon wiens verzoek tot afwijking op basis van artikel 3.2.16, § 2 geweigerd werd, kan een schriftelijk bezwaar indienen tegen deze weigering bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar. In het geval dat geen antwoord of beslissing verkregen werd binnen een termijn van 62 dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de ontvangst van het verzoek door de voormelde ambtenaar, wordt het ontbreken van enige reactie gelijkgesteld aan een stilzwijgende weigering van de afwijking. § 2. De bezwaren moeten gemotiveerd zijn en, op straffe van verval, ingediend worden binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de zevende dag volgend op : 1° het versturen van het betalingsverzoek bedoeld in artikel 3.2.21 ; 2° de vaststelling van de overtreding in geval van een controle op de openbare weg ; 3° de beslissing van weigering tot afwijking bedoeld in artikel 3.2.16, § 2. Er kan met terugwerkende kracht een afwijking vastgesteld worden die werd aangevraagd vóór of tijdens een overgangsperiode, in het geval deze laattijdig aanvaard zou zijn, om de betaling van de boete te doen uitdoven. § 3. Aan de personen die de bezwaren ingediend hebben, wordt een ontvangstbewijs afgeleverd, dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt. § 4. Indien de persoon die het bezwaar indient of zijn raadsman hierom heeft verzocht, wordt hij gehoord. Daartoe wordt hij uitgenodigd om zich te melden binnen de aangegeven termijn. § 5. Zolang er geen beslissing genomen is, kan de persoon die het bezwaar ingediend heeft zijn oorspronkelijke bezwaar aanvullen met nieuwe, schriftelijk opgemaakte grieven, zelfs indien voorgelegd buiten de in § 2 voorziene termijnen. § 6. De ambtenaar bedoeld in § 1 doet als administratieve overheid een uitspraak over de grieven geformuleerd door de bezwaarindiener. Als hij de middelen van de bezwaarindiener ongegrond acht, deelt hij hem dit in een gemotiveerde beslissing mee. § 7. Het indienen van een administratief bezwaarschrift schorst de betalingstermijn van de boete niet, doch er mag geen enkele maatregel voor gedwongen invordering ten uitvoer gebracht worden vooraleer er een onherroepelijke beslissing is genomen. § 8. De beslissing met betrekking tot een bezwaarschrift is onherroepelijk bij ontstentenis van het inleiden van een vordering bij de politierechtbank uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving ervan. De beslissing wordt definitief en uitvoerbaar na het verstrijken van de gerechtelijke beroepstermijnen en wordt betekend per aangetekende zending per post of elektronisch aangetekende zending
158
Art. 3.2.24. § 1. De in artikel 3.4.1/1 bedoelde invordering van de boete, de interesten en de vermeerderingen verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop deze vastgelegd werd. De invordering van de in het kader van de boete te veel ontvangen bedragen, verjaart binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van de betaling van het niet-verschuldigde bedrag. Indien de gegevens kunnen bijdragen aan het bewijs van een overtreding, zijn de verjaringstermijnen voor de invordering van de administratieve boete, zoals bepaald in dit artikel, van toepassing. § 2. Elke rechtsvordering betreffende de vestiging of de invordering van de boete en de vermeerderingen, ingesteld door het Gewest, door de schuldenaar van de boete of door enige andere persoon, schorst de verjaring. De schorsing vangt aan op het ogenblik van de inleidende akte en wordt beëindigd als de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden
159
Art. 3.2.25. Elk bedrag dat aan iemand terugbetaald of betaald dient te worden, hetzij in het kader van de bevoegdheden van de gewestelijke administratie, hetzij in het kader van de regelgeving betreffende de niet-verschuldigde betaling, kan, naar keuze van de bevoegde ambtenaar en zonder formaliteit, gebruikt worden voor de betaling van de schulden van deze persoon bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het kader van de bevoegdheden van de gewestelijke administratie. Voorgaand lid blijft van toepassing bij beslag, overdracht, samenloop of insolventieprocedure. ". Voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan onder " schulden " : de zekere, vaststaande en opeisbare schulden die geen schulden voor gewestbelastingen uitmaken waarvoor de federale administratie nog de dienst verzekert
160
Art. 3.2.26. Titel II van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is van toepassing op de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan
161
Art. 3.2.27. De Regering kan voorzien in steunmaatregelen in het kader van de uitvoering van de lage-emissie zone(s)
162
Art. 3.3.1.§ 1. Geen enkele exploitant mag een in bijlage 3.3 genoemde activiteiten uitoefenen die emissies van gespecificeerde broeikasgassen veroorzaakt zonder vergunning voor broeikasgasemissies. § 2. De vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies en de toewijzing van die vergunning verlopen volgens de procedures waarin voorzien door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen waaraan de exploitant uit hoofde van zijn activiteiten onderworpen is. § 3. Naast de vereiste informatie krachtens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 mei 2009 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een milieuattest, -aangifte en -vergunning, omvat elke vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies, de volgende elementen : 1° een beschrijving van de installatie en haar activiteiten, met inbegrip van de gebruikte technologie; 2° een beschrijving van de grondstoffen en hulpstoffen waarvan het gebruik waarschijnlijk emissies van de gespecificeerde broeikasgassen zal veroorzaken; 3° een beschrijving van de emissiebronnen van de gespecificeerde broeikasgassen van de installatie; 4° een beschrijving van de technische en administratieve maatregelen die voorzien zijn om de emissies te bewaken en te rapporteren, in overeenstemming met de door de Europese Commissie en de Regering vastgelegde regels; 5° een niet-technische samenvatting van de informatie bedoeld in de punten 1° tot 4° ; 6° alle door Leefmilieu Brussel opgevraagde informatie die nodig is om de emissierechten te berekenen. De Regering preciseert de inhoud en de vorm van de vereiste documenten en de vorm waarin ze worden verstrekt. § 4. Leefmilieu Brussel kan, na de uitbater te hebben geraadpleegd, installaties met in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder 1° bedoelde melding gerapporteerde emissies van minder dan 25.000 ton koolstofdioxide-equivalent, en die, wanneer ze verbrandingsactiviteiten hebben, een calorisch verbrandingsvermogen van minder dan 35 MW hebben, en die het voorwerp uitmaken van maatregelen die toelaten een vermindering van equivalente emissies te bereiken, emissies uit biomassa niet meegerekend, van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten uitsluiten, op voorwaarde dat Leefmilieu Brussel : 1° elk van deze installaties bij de Europese Commissie aanmeldt uiterlijk op de in artikel 3.3.13 van huidig Wetboek bedoelde datum, met vermelding van de ingevoerde equivalente maatregelen die toelaten een vermindering van de equivalente emissies te bereiken ; 2° bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend ; 3° bevestigt dat een installatie die in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, weer in het systeem van handel in broeikasgasemissierechten zal worden opgenomen ; en 4° de onder 1°, 2° en 3° bedoelde informatie ter beschikking stelt van het publiek. Wanneer een installatie krachtens het eerste lid, 3°, weer in het systeem van handel in broeikasgasemissierechten wordt opgenomen, worden alle op grond van artikel 3.3.5, eerste lid, van huidig Wetboek toegewezen emissierechten verleend met ingang van het jaar van wederopneming. Aan een dergelijke installatie toegewezen emissierechten worden afgetrokken van de op grond van artikel 3.3.5, tweede lid, te veilen hoeveelheid. De ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien ze gelijkaardige maatregelen treffen. Leefmilieu Brussel kan ook installaties die aan de bevoegde overheid van de betrokken lidstaat emissies van minder dan 2.500 ton CO2-equivalent hebben aangegeven en reservevoorzieningen die niet meer dan 300 uur per jaar operationeel waren in elk van de drie jaren voorafgaand aan de melding bedoeld in het eerste lid, 1°, van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten uitsluiten, en dit onder dezelfde voorwaarden als in het eerste tot derde lid
163
Art. 3.3.2.§ 1. Een vergunning voor broeikasgasemissies kan betrekking hebben op één of meer installaties die op dezelfde plaats door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd. Naast de voorschriften van artikel 56 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, bevat het besluit dat toelaat om broeikasgassen uit te stoten minstens de volgende elementen : 1° een beschrijving van de activiteiten en de emissies vanuit de betrokken installaties; 2° de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en -frequentie; 3° de rapportagevoorschriften; 4° de verplichting om binnen vier maanden na het einde van elk kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten conform de bepalingen van onderhavige titel in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie tijdens het voorbije kalenderjaar, zoals nagezien overeenkomstig artikel 3.3.15 en bijlage 3.7. § 2. Wanneer in de installaties activiteiten worden uitgeoefend zoals opgenomen in bijlage I bij het besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende de verplichting tot periodieke kennisgeving van milieugegevens voor bepaalde ingedeelde industriële installaties, worden de voorwaarden en procedure voor de afgifte van een vergunning voor broeikasgasemissies door Leefmilieu Brussel in overeenstemming gebracht met die waarin dat besluit voorziet. De in de artikelen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.11 gestelde eisen mogen aan de door het genoemde besluit gestelde procedures worden toegevoegd.
164
Art. 3.3.3 Uiterlijk op 30 september 2019 publiceert Leefmilieu Brussel op zijn website de lijst van de installaties die onder het Europese systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten op het grondgebied van het Gewest vallen, zoals gericht aan de Europese Commissie. De lijsten voor elke volgende periode van vijf jaar worden daarna om de vijf jaar ingediend. Elke lijst bevat informatie over de productieactiviteit, de overdracht van warmte en gassen, de elektriciteitsproductie en de emissies op het niveau van de subinstallaties betreffende de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de indiening ervan
165
Art. 3.3.4. § 1. Elke persoon kan emissierechten bezitten. Ze mogen worden overgedragen tussen : 1° personen binnen de Europese Unie; 2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen. § 2. De emissierechten die worden verleend door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een ander Gewest worden erkend voor de naleving van de verplichtingen waaraan de exploitanten moeten voldoen krachtens artikel 3.3.6.
166
Art. 3.3.5.Uiterlijk op 28 februari reikt Leefmilieu Brussel de emissierechten die kosteloos worden toegekend voor het betrokken jaar uit aan de installaties die op het grondgebied van het Gewest gelegen zijn in overeenstemming met de regels vermeld in bijlage 3.6, behalve bij stopzetting van activiteit. De exploitanten kunnen bovendien emissierechten verwerven via veilingplatformen. De emissierechten worden alleen kosteloos toegewezen aan installaties waarvoor de in artikel 3.3.3, derde lid, bedoelde informatie wordt verstrekt
167
Art. 3.3.6. § 1. Uiterlijk op 30 april van elk jaar levert elke exploitant van een installatie een hoeveelheid emissierechten in die gelijk is aan de totale emissies van die installaties gedurende het afgelopen kalenderjaar, geverifieerd volgens artikel 3.3.15 van deze titel. Deze emissierechten worden daarna geannuleerd. § 2. De emissierechten kunnen op elk ogenblik worden geannuleerd op verzoek van de persoon die ze bezit.
168
Art. 3.3.7.De emissierechten die vanaf 1 januari 2013 worden uitgereikt, zijn geldig voor onbepaalde tijd. Emissierechten die met ingang van 1 januari 2021 worden verleend, bevatten een aanduiding waaruit blijkt in welke periode van tien jaar te rekenen vanaf 1 januari 2021 zij zijn verstrekt, en zijn geldig voor emissies met ingang van het eerste jaar van die periode Bij de aanvang van elke periode bedoeld in het vorig lid annuleert Leefmilieu Brussel de emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 3.3.6 zijn ingeleverd en geannuleerd. Leefmilieu Brussel verleent personen emissierechten voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens het vorig lid geannuleerd zijn.
169
Art. 3.3.8.§ 1. Op verzoek van een nieuwkomer , bepaalt Leefmilieu Brussel, op basis van de regels vastgelegd door de Regering overeenkomstig het besluit nr. 2011/278/EU, de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die kosteloos moet worden toegekend aan de betrokken installatie zodra zij normaal wordt geëxploiteerd. § 2. De aanvragen worden naar Leefmilieu Brussel verstuurd en op dezelfde wijze onderzocht als de vergunningsaanvragen voor broeikasgasemissies.
170
Art. 3.3.9 Wanneer de activiteiten van een installatie volgens een beoordeling op basis van een voortschrijdend gemiddelde van twee jaar, meer dan 15 % of minder in bedrijf zijn geweest vergeleken met het niveau dat aanvankelijk werd gebruikt om de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de relevante periode als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, te bepalen, past Leefmilieu Brussel in voorkomend geval het niveau van de kosteloos toegewezen emissierechten aan. De Regering legt, in voorkomend geval, aanvullende regelingen voor dergelijke aanpassingen vast, in overeenstemming met de door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen uit hoofde van de Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap
171
Art. 3.3.10.Ongeacht de verplichtingen opgelegd door artikel 7bis van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, informeert de exploitant Leefmilieu Brussel, uiterlijk op 31 december van elk jaar, over alle voorgenomen of effectieve wijzigingen in de aard of de werking van de installatie of elke aanzienlijke capaciteitsuitbreiding of -vermindering waarvoor een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies vereist kan zijn. Zo nodig past Leefmilieu Brussel de vergunning aan overeenkomstig artikel 64 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past Leefmilieu Brussel de vergunning aan door de naam en het adres van de nieuwe exploitant erin te vermelden.
172
Art. 3.3.11. § 1. Wanneer een installatie haar activiteiten heeft stopgezet, worden geen emissierechten aan die installatie uitgereikt vanaf het jaar dat op de stopzetting van de activiteit volgt. § 2. Een installatie wordt geacht haar activiteiten te hebben stopgezet als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de vergunning voor broeikasgasemissie, de milieuvergunning of een andere relevante exploitatievergunning is verlopen; 2° de onder het vorig punt bedoelde vergunningen zijn ingetrokken; 3° de werking van de installatie is technisch onmogelijk; 4° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en het is technisch onmogelijk om ze opnieuw op te starten; 5° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en de exploitant kan niet aantonen dat de installatie binnen zes maanden na de stopzetting van de activiteiten zal worden heropgestart. Deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste achttien maanden indien de exploitant kan aantonen dat de installatie niet binnen zes maanden kan worden heropgestart als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die aan de controle ontsnappen en die ook met de grootste voorzichtigheid niet konden worden vermeden zoals, met name omstandigheden zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme. In het geval bedoeld in punt 5°, wordt de uitreiking van emissierechten aan de installaties opgeschort zolang niet wordt aangetoond dat ze hun activiteiten zullen hervatten. § 3. § 2, 5° is niet van toepassing op de installaties die op reserve of stand-by worden gehouden en de installaties die worden geëxploiteerd in een seizoensregeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan : 1° de exploitant beschikt over een vergunning voor broeikasgasemissie en alle andere relevante vergunningen; 2° het is technisch mogelijk om de activiteiten te hervatten zonder materiële wijzigingen aan te brengen aan de installatie; 3° de installatie wordt regelmatig onderhouden.
173
Art. 3.3.13.In de gevallen bedoeld in de vorige artikelen en in geval van wijziging van het activiteiten- of exploitatieniveau van een installatie die een weerslag heeft op de toekenning van emissierechten, deelt Leefmilieu Brussel alle nuttige informatie mee aan de Europese Commissie, met inbegrip van de gereviseerde voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid kosteloos verleende emissierechten aan de betrokken installatie, vooraleer het de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid bepaalt die kosteloos zal worden toegekend. Indien de Europese Commissie deze voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid kosteloos verleende emissierechten niet verwerpt, bepaalt Leefmilieu Brussel de definitieve jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die kosteloos worden toegekend.
174
Art. 3.3.14.De exploitanten bewaken de hoeveelheid broeikasgassen die hun installatie uitstoot overeenkomstig de regels vastgelegd door de Europese Commissie. Leefmilieu Brussel zorgt ervoor dat deze regels bekendgemaakt worden. De exploitanten werken de controleprogramma's die opgenomen zijn in hun vergunning voor broeikasgasemissie bij en leggen elk bijgewerkt controleprogramma ter goedkeuring voor aan Leefmilieu Brussel.
175
Art. 3.3.15.§ 1. Uiterlijk op 28 februari van elk kalenderjaar, geeft de exploitant van een installatie de emissies die door zijn installatie in de loop van het voorbije kalenderjaar werden geproduceerd, overeenkomstig de voorschriften van artikel 63, § 1, 7°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en de regels vastgelegd door de Europese Commissie, aan bij Leefmilieu Brussel. § 2. De exploitant van een installatie laat zijn verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt bij zijn in § 1 bedoelde verslag een keurings- en gelijkvormigheidsattest. Wanneer het verslag van een exploitant, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.7, niet tegen 31 maart van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de exploitant geen emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die exploitant als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de exploitant. § 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.
176
Art. 3.3.16.Elk jaar brengt Leefmilieu Brussel een verslag uit op over het beheer van de emissierechten. Dat rapport besteedt vooral aandacht aan de maatregelen die werden genomen met het oog op de toewijzing van de emissierechten, het gebruik van de veilingontvangsten, de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen betreffende het toezicht op en de aangifte van de emissierechten, de verificatie en de registratie alsook de aangelegenheden die verband houden met de naleving van de wettelijke ETS-bepalingen.
177
Art. 3.3.17. De Regering kan elk type van investering doen binnen de grenzen van de beschikbare budgettaire kredieten teneinde : 1° koolstofeenheden te verkrijgen; 2° het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgewerkt, te ondersteunen; 3° bij te dragen tot projecten van energieproductie uit hernieuwbare bronnen die buiten het grondgebied van het Gewest worden uitgevoerd. In toepassing van het eerste lid, kunnen de financieringen verleend krachtens punt 2° bestaan uit giften toegekend door de Regering. De investeringen bedoeld in punt 2° vullen deze aan die bedoeld zijn in punt 1°, alsook de samenwerkingsinvesteringen gedaan in het kader van de externe betrekkingen van het Gewest. Elke investering gedaan krachtens onderhavig artikel moet minstens beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1) de gewestelijke acties voor vermindering van de emissies aanvullen; 2) de milieu- en sociaaleconomische criteria voor duurzame ontwikkeling naleven. De Regering kan die voorwaarden nader bepalen of aanvullen.
178
Art. 3.3.18.§ 1. De koolstofeenheden verkregen door het Gewest door gebruik te maken van de projectmechanismen mogen gebruikt worden om de verbintenissen inzake de beperking van broeikasgasemissies van het Gewest na te komen. § 2. Het Gewest moet deze projectmechanismen aanwenden in de voorwaarden vermeld in het artikel 3.3.17, derde lid. § 3. De Regering bepaalt de wijze van beheer en gebruik van de koolstofeenheden die via de projectmechanismen zijn verkregen. § 4. De koolstofeenheden worden op de rekening geplaatst die op naam van Leefmilieu Brussel is geopend in het nationale register voor broeikasgassen.
179
Art. 3.3.19. De Regering bepaalt de modaliteiten en de gebruiksprocedure van de koolstofeenheden voor de exploitanten overeenkomstig de besluiten van de Europese Commissie genomen in uitvoering van de Richtlijn 2003/87/EG.
180
Art. 3.3.20. § 1. De projectmechanismen worden bestudeerd en uitgevoerd in samenwerking met het beleid voor externe betrekkingen. De Regering duidt het of de organen aan die worden belast met de uitvoering van de projectmechanismen in haar naam. Ze blijft verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen die haar worden opgelegd krachtens het RVNKV en zijn protocollen. § 2. De Regering kan rechtspersonen machtigen tot deelname aan projectmechanismen. Zij stelt de keuzecriteria en de procedures voor de goedkeuring van die projectmechanismen op. § 3. De Regering zorgt ervoor dat de deelname aan projectmechanismen verenigbaar is met de relevante richtsnoeren, modaliteiten en procedures die overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen zijn aanvaard.
181
Art. 3.3.21.De beslissingen in verband met de toewijzing van emissierechten, de informatie met betrekking tot de projectmechanismen waaraan de Regering deelneemt of waarvoor zij openbare of privé-entiteiten de toelating geeft eraan deel te nemen alsook de krachtens de vergunning voor broeikasgasemissies vereiste emissieverslagen welke in het bezit zijn van Leefmilieu Brussel, worden voor het publiek beschikbaar gesteld, behoudens de in de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake de toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vastgestelde beperkingen.
182
Art. 3.4.1.Voor elke ton kooldioxide-equivalent die een installatie uitstoot en waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd, bedraagt de boete, ten laste van de exploitant, 100 euro. Dat bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het Europese indexcijfer der consumptieprijzen van de maand december die eraan voorafgaat. De betaling van de boete op de overtollige emissies ontheft de exploitant niet van de verplichting, bij de inlevering van de emissierechten die overeenstemmen met het volgende kalenderjaar, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan deze overtollige emissies.
183
Art. 3.4.1/1. § 1. Een administratieve boete wordt opgelegd voor elke inbreuk op de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en de uitvoeringsbesluiten ervan. Na afloop van de overgangsperiode, bedraagt de boete 350 euro. § 2. Gedoogperiode In afwijking van § 1, mag de Regering gedoogperiodes inlassen. Tijdens deze ononderbroken periodes, wordt er geen administratieve boete opgelegd voor elke inbreuk begaan met hetzelfde voertuig. Het instellen van een beroep schorst deze gedoogperiode niet. § 3. Overgangsperiode De Regering kan, in afwijking van § 1, voorzien in overgangsperiodes voor de toepassing. Tijdens deze ononderbroken periodes aan het begin van elke nieuwe fase van de lage-emissiezone, wordt voor geen enkele begane overtreding een administratieve boete opgelegd. Er worden nog steeds controles uitgevoerd tijdens deze periodes, maar de bestuurders en/of eigenaars van de voertuigen in overtreding krijgen een verwittiging in plaats van een boete. § 4. De personen die betaling verschuldigd zijn, zijn gehouden om, mondeling of schriftelijk, op verzoek van de op basis van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken ambtenaren, alle inlichtingen te verstrekken die aan hen gevraagd worden, om de precieze inning te controleren van de bedragen vermeld in § 1, te hunner laste of ten laste van derden. Elke weigering tot het verstrekken van inlichtingen en elke onjuiste of onvolledige mededeling van inlichtingen leidt tot een administratieve boete van 25 euro. Deze inlichtingen dienen verstrekt te worden binnen de maand na het verzoek om inlichtingen of onmiddellijk in het geval van een controle op de openbare weg. Het niet-naleven van deze verplichting leidt tot een administratieve boete van 25 euro. Elke onjuiste of onvolledig informatie verstrekt tijdens een registratie met betrekking tot de lage-emissiezone(s) geeft desgevallend aanleiding tot een administratieve boete van 25 euro. § 5. In afwijking van artikel 3.4.2, zijn de modaliteiten voor de boete- en de beroepsprocedures deze die bepaald worden in de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en in dit artikel. § 6. Het niet-naleven van de verplichting tot registratie voor de toegang tot de lage-emissiezone(s) leidt tot een administratieve boete van 150 euro buiten de overgangsperiodes
184
Art. 3.4.2.Onder voorbehoud van het tweede lid, zijn de procedureregels voor het opleggen van boetes en het instellen van beroep die welke zijn vastgelegd door de artikelen 45, leden 1, 2, 4 en 6 ; 47 en 49 tot en met 54 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid. In afwijking van artikel 45, vijfde lid, van het Wetboek voor de inspectie, de preventie, de bestraffing van misdrijven en voor de milieuaansprakelijkheid, worden de ontvangsten gestort in het Klimaatfonds bedoeld in artikel 4.1.4 van onderhavig Wetboek en de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet aan de Procureur des Konings meegedeeld.
185
Art. 3.4.3.§ 1. Wordt met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, gestraft : 1° hij die inbreuk pleegt op de reglementeringen of het gebruiksverbod van toestellen, installaties, producten die verontreiniging kunnen veroorzaken die de Regering op grond van artikel 3.2.9 heeft genomen; 2° hij die inbreuk pleegt op de uitstootnormen, de beperkings- of verbodsmaatregelen voor sommige vormen van verontreiniging die de Regering op grond van artikel 3.2.9 heeft genomen; 3° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die de Regering op grond van artikel 3.2.10 heeft genomen; 4° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die vervat zijn in het actieplan dat de Regering op grond van artikel 3.2.11 heeft vastgelegd; § 2.
186
Art. 4.1.1. § 1. In artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt punt 5° " indien het project onderworpen is aan de bepalingen van de ordonnantie betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen, een exemplaar van het EPB-voorstel " opgeheven. § 2. In artikel 18, § 2, 3° van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en de elementen van het EPB-voorstel " opgeheven. § 3. In artikel 37, 4° worden de woorden " en het EPB-voorstel, met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is " opgeheven. § 4. Aan dezelfde ordonnantie wordt een artikel 13bis alsook een artikel 13ter toegevoegd die als volgt luiden : " Artikel 13bis. Parkeerplaatsen Een milieucertificaat of -vergunning voor parkeerplaatsen bij een gebouw of deel van een gebouw mag slechts worden uitgereikt binnen de grens van het aantal plaatsen voortvloeiend uit de toepassing van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing. Art. 13ter. § 1. De houder van een lopende milieuvergunning op de dag van de inwerkingtreding van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing die overtollige parkeerplaatsen in de zin van dat Wetboek toestaat kan, te allen tijde, volledig of gedeeltelijk afzien van het behoud van deze overtollige parkeerplaatsen. Deze verzaking neemt de vorm aan, hetzij van een volledige of gedeeltelijke afschaffing van die plaatsen, of van een omzetting van alle of een deel van die plaatsen in parkeerplaatsen die exclusief ter beschikking gesteld worden van de buurtbewoners, via verhuur, verkoop of enig ander mechanisme dat hun een exclusief gebruiksrecht verleent, of een combinatie van beide, of van hun herbestemming voor de andere doeleinden beschreven in artikel 2.3.52, § 3, punt 4°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing. De gevolgen van die verzaking zijn definitief en onherroepbaar. De verzaking wordt betekend overeenkomstig artikel 7bis. § 2. Zolang hij niet heeft afgezien van de overtollige parkeerplaatsen, mag de houder van een milieuvergunning bedoeld in § 1 echter de verlenging ervan aanvragen mits behoud van alle toegestane of overtollige parkeerplaatsen op voorwaarde dat hij de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing betaalt. § 3. Voor de installaties die gedekt zijn door een milieuvergunning bedoeld in § 1 kan de bevoegde overheid, bij het verstrijken van de vergunning en als de exploitant daarom verzoekt, een nieuwe milieuvergunning uitreiken die betrekking heeft op bestaande en voordien toegekende overtollige plaatsen, mits betaling van de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing. In zover ze betrekking heeft op overtollige plaatsen in de zin van dit Wetboek, kan de Regering de duur van deze vergunning beperken vanaf de uitreiking ervan. § 4. De houders van vergunningen bedoeld in §§ 2 en 3 hiervoor mogen, naar aanleiding van hun vraag tot verlenging of aanvraag van een nieuwe milieuvergunning, de bepalingen van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing inroepen. In voorkomend geval zal de persoon die om de verlenging of de nieuwe milieuvergunning verzoekt, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen opgeven dat opnieuw moet worden aangewend voor de functies bepaald in artikel 2.3.52, § 3, punt 3°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing. In zover ze op toegestane parkeerplaatsen in toepassing van de voorgaande leden betrekking heeft, is de duur van de nieuwe vergunning niet beperkt in toepassing van § 3 van onderhavig artikel. ". § 5. Aan artikel 18, § 2, van dezelfde ordonnantie, zoals gewijzigd door de ordonnantie van 7 juni 2007, wordt het volgende punt toegevoegd : " 5° in voorkomend geval, de vermelding van een afwijkingsaanvraag krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en energiebeheersing alsook van de redenen die tot staving ervan worden ingeroepen; ". Punten 5°, 6° en 7° van deze bepaling worden respectievelijk punten 6°, 7° en 8°. § 6. Aan artikel 26, eerste lid van dezelfde ordonnantie, wordt het volgende punt toegevoegd : " 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ". Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°. § 7. Artikel 37 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd. a) Aan het tweede lid wordt de volgende bepaling toegevoegd : " 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ". Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°. b) Er wordt een nieuw derde lid toegevoegd dat als volgt luidt : " Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het in het vorige lid bedoelde effectenrapport worden opgemaakt door een daartoe erkende persoon. ". Het huidige derde lid wordt het vierde lid. § 8. Aan artikel 48, § 1, van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw tweede lid toegevoegd dat als volgt luidt : " Indien de aanvraag een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing behelst, bevat ze ook een effectenrapport opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon. Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het effectenrapport worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. Dat effectenrapport bevat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die deze afwijking rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. ". Het huidige tweede lid wordt het derde lid. § 9. Artikel 62 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd. § 3, eerste lid, wordt als volgt aangevuld : " 4° in voorkomend geval, een evaluatie opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon dat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving bevat van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. Als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet de effectenevaluatie worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. ". De tweede zin van § 6, eerste lid, wordt als volgt aangevuld : " en zich, in voorkomend geval, uitspreken over de rechtvaardiging van het aantal parkeerplaatsen toegestaan in toepassing van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing in afwijking van artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van datzelfde Wetboek. ". § 6 wordt aangevuld met een nieuw tweede lid dat als volgt luidt : " Onverminderd artikel 13ter, § 2 weigert de bevoegde overheid deels de verlenging voor het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op overtollige parkeerplaatsen in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing. ". De tweede zin van § 6, tweede lid (nieuw derde lid) wordt als volgt aangevuld : " In zover ze verband houdt met het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op parkeerplaatsen die de normen vastgelegd in artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing overschrijden, wordt de vergunning verlengd volgens de voorwaarden die in de verlengingsaanvraag zijn vermeld, onverminderd artikel 13ter, § 2. ".
187
Art. 4.1.2.§ 1. In artikel 2 van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 4° wordt als volgt vervangen : " 4° het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing "; 2° punt 19° wordt opgeheven; 3° punt 20° wordt opgeheven; 4° punten 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26°, 27°, 28° en 29° worden respectievelijk punten 19°, 20°, 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26° en 27°. § 2. In artikel 4 van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing " toegevoegd na de woorden " de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de grondwateren ". § 3. In artikel 32, 1°, van dezelfde ordonnantie worden de woorden " de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit " vervangen door de woorden " het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing ". § 4. Artikel 32, 13°, van dezelfde ordonnantie wordt vervangen als volgt : " 13° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die : a) als aangever nalaat de wijziging te betekenen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9 § 2; b) als architect de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt; c) als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 en artikel 2.2.10, § 6 niet nakomt. ". § 5. Artikel 33, 14°, van dezelfde ordonnantie wordt als volgt vervangen : " 14° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die : a) als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1; b) als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8; c) als architect of aangever respectievelijk het rekenbestand of de EPB-aangifte niet bezorgt in de vormen en binnen de termijnen voorzien in artikel 2.2.11; d) als de persoon die de verplichtingen volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft; e) zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt; f) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 1° deze niet naleeft; g) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 2° deze niet naleeft; h) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 3° deze niet naleeft; i) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 2 deze niet naleeft; j) als aangever of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid; k) als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorganisme ertoe belet zijn recht tot vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4; l) als aanvrager de geïntegreerde haalbaarheidsstudie niet aan Leefmilieu Brussel bezorgt overeenkomstig artikel 2.2.7, § 2, tweede lid. § 6. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 21° toegevoegd dat luidt als volgt : " 21° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die : a) het orgaan dat nalaat een PLAGE-coördinator aan te stellen na afloop van het eerste jaar van de uitvoering van het PLAGE overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 van onderhavig Wetboek of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1; b) het orgaan dat nalaat het actieprogramma mee te delen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 3 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 2; c) het orgaan dat nalaat de verslagen van de PLAGE-revisor over te maken overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4; d) de PLAGE-revisor die een verslag overmaakt dat niet strookt met de kwaliteitscriteria vastgelegd in toepassing van artikel 2.2.23, § 7. ". § 7. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 22° toegevoegd dat luidt als volgt : " 22° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, de sitebeheerder of, in het geval bedoeld in artikel 2.3.37, § 1, van dat Wetboek, de sitegebruiker die weigert om de in artikel 2.3.39 van dat wetboek bedoelde overeenkomst op te stellen. ".
188
Art. 4.1.3. In artikel 10, § 2, van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's worden punt 2° en punt 5° met betrekking tot het gewestelijk plan voor toekenning van broeikasgasemissierechten opgeheven.
189
Art. 4.1.4. In artikel 2 van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt een punt 18° toegevoegd dat luidt als volgt : " 18° het Klimaatfonds. ". Worden aan dat fonds toegewezen : 1° de administratieve boetes geïnd krachtens artikel 3.4.2.van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing; 2° de opbrengst van de toekenning tegen betaling van de emissierechten die niet kosteloos worden toegewezen; 3° de opbrengst van de verkoop van koolstofeenheden; 4° de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikelen 2.3.55 tot 2.3.62 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en Energiebeheersing; 5° de middelen, fondsen of subsidies die hem worden toegewezen krachtens wettelijke bepalingen. De middelen van het fonds worden besteed aan : 1° de maatregelen betreffende de gebouwen, de installaties en de producten die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten; 2° de maatregelen betreffende het vervoer en de mobiliteit die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten. Het bedrag bestemd voor deze maatregelen komt overeen met 50 % van het jaarlijkse totaalbedrag van de ontvangsten afkomstig uit de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 en volgende van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing; 3° de financiering van het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgestippeld; 4° de financiering van projecten die koolstofeenheden opleveren in het kader van het gebruik van de projectsmechanismen. ".
190
Art. 4.1.5. In artikelen 129, § 1, 3° en 143, 4° van het BWRO worden de woorden " met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is " opgeheven.
191
Art. 4.2.1. De ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit wordt opgeheven.
192
Art. 4.2.2. De ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen wordt opgeheven.
193
Art. 4.2.3. De ordonnantie van 31 januari 2008 houdende de vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto wordt opgeheven.
194
Art. 4.2.4. De ordonnantie van 14 mei 2009 betreffende de vervoerplannen wordt opgeheven.
195
Art. 4.3.1.§ 1. Artikel 2.2.3, artikelen 2.2.5 tot 2.2.11 en artikel 2.2.13, § 1 zijn niet van toepassing op de aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze artikelen of afdelingen, zoals zal worden bepaald door de Regering. § 2. Artikel 2.2.13, § 2 is van toepassing : 1° op de overeenkomsten gesloten na de inwerkingtreding van deze bepaling; 2° op de openbare verkopen waarvan de verkoopvoorwaarden worden bepaald na de inwerkingtreding van deze bepaling en op voorwaarde dat de eerste zitting ten minste veertig dagen na de inwerkingtreding van deze bepaling plaatsvindt. § 3. Artikelen 2.3.51 tot 2.3.62 en paragrafen 4 tot 9 van artikel 4.1.1 zijn slechts van toepassing op de aanvragen van milieuvergunning of -certificaat of op de aanvragen tot verlenging van vergunning waarvan de datum van het indieningsattest dat aan de aanvrager uitgereikt werd, na hun inwerkingtreding valt. § 4. De artikelen 33 en 34, f) van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen blijven van toepassing zolang de artikelen 20 en 21 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn. De punten h) en l) van artikel 34 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing zolang respectievelijk de artikelen 25 en 26 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn. De definities in artikel 3 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, evenals de artikelen 4 en 5, blijven van toepassing op bepalingen van dezelfde ordonnantie die nog van kracht zijn. § 5. De artikelen 11 tot en met 16, 30, 33 en 34, a), b), c), d), e), j) en m) van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing voor de aanvragen zoals bedoeld in artikel 3, 15° en ingediend vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 4.2.2 van dit wetboek. § 6. De artikelen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, bedoeld in de paragrafen 4 en 5, zijn onderworpen aan het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid. § 7. De artikelen 2.5.2, 2.5.3, 2.5.4 en 2.5.5. van dit wetboek zijn van toepassing op personen onderworpen aan de toekenning van een erkenning op grond van de bepalingen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 die nog van kracht zijn
196
Art. 4.4.1.(vroeger artikel 4.4.2) De Regering bepaalt de datum waarop de bepalingen van boek 2 in werking treden. Artikel 4.2.4. treedt in werking samen met de bepaling van boek 2, titel 3. De Regering bepaalt ook de datum van inwerkingtreding van artikelen 4.1.2, § 1, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, en 4.2.2. (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.3.51 tot en met 2.3.61 en 2.5.1 vastgesteld op 05-02-2014, door BESL 2014-01-16/14, art. 13) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.1.1 tem 2.2.12, 2.2.13, § 1, 2.2.18, 2.5.1 tem 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 en bijlagen 2.1 en 2.2 vastgesteld op 01-01-2015, door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L1) (NOTA : Inwerkingtreding van Artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2015, , behalve wat de volgende artikelen van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft : 1° artikelen 18, §§ 2 tem 5, 25 en 26; 2° artikelen 19, 20, 21 en 32, door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L2) (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 2.5.6 vastgesteld op 30-05-2014 door BESL 2014-04-24/36, art. 20) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.4.5 en 2.4.7 vastgesteld op 01-08-2014 door BESL 2014-05-15/60, art. 16) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 2 en § 4; 2.2.14, § 1 en § 3 vastgesteld op 01-01-2017 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, eerste lid) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 3 en 2.2.14, § 2 vastgesteld op 01-07-2015 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, tweede lid) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2017 - in wat betreft art. 18, §§ 2 tot en met 5; 25 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 1°) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-07-2015 - in wat betreft art. 26 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 2°) (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.21 tot 2.2.25 ; 2.4.3 ; 2.6.3 ; 2.6.6 vastgesteld op 01-07-2019 door BESL 2018-06-14/19, art. 27) (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.15 ; 2.2.16 ; 2.6.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2) (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/15, art. 7.3.2, voor wat artikelen 20 en 21 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.) (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2, voor wat artikelen 32 en 19 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.)TITEL 5. - Algemene coördinatie
197
Art. N1.1. BIJLAGE 1.1 - Structuur en minimuminhoud van het lucht-klimaat-energieplan I. Het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan, hierna " het plan " genoemd, steunt op de volgende kernelementen : 1) De stand van zaken inzake lucht, klimaat en energie in de Brusselse context en de verwachte evolutie bij ongewijzigd beleid. 2) De belangrijkste sociaaleconomische en milieu-eigenschappen van het Brussels Gewest die de stand van zaken vermeld in punt 1 bepalen. 3) De doelstellingen die op korte, middellange en lange termijn worden nagestreefd op het vlak van : - beheersing van het energieverbruik; - verbetering van de energie-efficiëntie van de gebouwen; - verhoging van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie; - vermindering van de impact op het milieu van de mobiliteitsbehoeften; - daling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen; - verbetering van de luchtkwaliteit; - daling van de emissies van broeikasgassen. 4) De richtsnoeren die aan de basis van het plan liggen. 5) De omstandige beschrijving van de voorgestelde maatregelen om de in het plan beoogde doelstellingen te bereiken. 6) De planning van de te ondernemen acties en de identificatie van de betrokken actoren. 7) De raming van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het plan. II. Het plan wordt overkoepelend opgesteld en wijst uitdrukkelijk op de verbanden tussen het energieverbruik en de mobiliteitsbehoeften, de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, de luchtkwaliteit en de klimaatveranderingen. Het omvat minstens de volgende elementen : 1) Een beknopte beschrijving van de huidige situatie en van de evolutie van het verbruik van producten, exploitatie van installaties, energieproductie en -verbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook de volgende elementen : a) De evaluatie van de maatregelen met het oog op de vermindering van het energieverbruik, de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en de toegankelijkheid van de energie voor iedereen. b) De evaluatie van de milieumaatregelen op het vlak van transport. c) De gegevens betreffende het transport die relevant zijn in termen van luchtvervuiling. d) De evaluatie van de emissies voortvloeiend uit de energie- en mobiliteitsbehoeften. 2) De maatregelen tot vermindering van het verbruik van producten, de exploitatie van installaties, de energieproductie en -verbruik. In dat kader omvat het plan, in overeenstemming met de geldende Europese Richtlijnen, het volgende : a) Op het vlak van de energieprestatie van de gebouwen : i) tussentijdse doelstellingen om de energieprestatie van de nieuwe gebouwen te verbeteren; ii) een gedetailleerde beschrijving van de toepassing, in de praktijk, van de definitie van de " zero energie "-verbruikgebouwen die een numerieke indicator van het primaire energieverbruik uitgedrukt in kwh/m2 omvat; iii) de maatregelen ter bevordering van de " zero energie "-verbruikgebouwen, met inbegrip van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. iv) de maatregelen in het kader van de langetermijnrenovatiestrategie : De langetermijnrenovatiestrategie draagt ertoe bij dat vóór het einde van 2050 het nationale bestand van zowel openbare als particuliere al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen tot een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand is gerenoveerd. De langetermijnrenovatiestrategie omvat : - een overzicht van het Brusselse gebouwenbestand op basis, waar passend, van statistische steekproeven en het verwachte aandeel van gerenoveerde gebouwen in 2020 ; - de identificatie van kosteneffectieve wijzen van aanpak van renovatie naargelang het type gebouw en het klimaat, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met relevante interventiemomenten in de levenscyclus van het gebouw ; - beleid en acties om kosteneffectieve grondige renovatie van gebouwen, onder meer in gefaseerde vorm, te stimuleren en gerichte kosteneffectieve maatregelen en renovatie te ondersteunen, bijvoorbeeld door de invoering van een facultatieve regeling voor gebouwrenovatiepaspoorten ; - een overzicht van beleidsmaatregelen en acties die zijn gericht op de slechtst presterende onderdelen van het nationale gebouwenbestand, dilemma's in verband met gescheiden prikkels, en marktfalen, alsmede een overzicht van relevante nationale acties die energiearmoede helpen te verminderen ; - beleidsmaatregelen en acties gericht op alle openbare gebouwen ; - een overzicht van nationale initiatieven ter bevordering van slimme technologieën en goed verbonden gebouwen en gemeenschappen, evenals vaardigheden en onderwijs in de bouw- en energie-efficiëntiesectoren ; en - een empirisch onderbouwde raming van de verwachte energiebesparing en de voordelen in ruimere zin, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, veiligheid en luchtkwaliteit. In het kader van de langetermijnrenovatiestrategie wordt een stappenplan vastgelegd met maatregelen en meetbare voortgangsindicatoren met het oog op de Europese langetermijndoelstelling voor 2050 om de broeikasgasemissies te verminderen, teneinde een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tot stand te brengen en de kosteneffectieve transformatie van bestaande gebouwen in bijna-energieneutrale gebouwen te bevorderen. In het stappenplan worden indicatieve mijlpalen voor 2030, 2040 en 2050 opgenomen en wordt nader bepaald hoe deze bijdragen tot de verwezenlijking van de Europese energie-efficiëntiedoelstellingen. Ter ondersteuning van de mobilisering van investeringen in de renovatie worden passende mechanismen ingevoerd om : - projecten samen te voegen, onder meer via investeringsplatforms of -groepen, en consortia van kleine en middelgrote ondernemingen, met het oog op toegang voor investeerders en pakketoplossingen voor potentiële klanten ; - het vermeende risico voor investeerders en de particuliere sector in verband met energie-efficiëntiewerkzaamheden te verkleinen ; - publieke middelen als hefboom te gebruiken voor aanvullende particuliere investeringen of om specifieke tekortkomingen van de markt aan te pakken ; - investeringen in een energie-efficiënt openbaar gebouwenbestand te leiden, in overeenstemming met de richtsnoeren van Eurostat ; en - toegankelijke en transparante adviesinstrumenten te bieden, zoals centrale aanspreekpunten voor consumenten en energieadviesdiensten, in verband met op energie-efficiëntie gerichte renovaties en financieringsinstrumenten b) Op het vlak van de energie-efficiëntie : i) de maatregelen die de vooropgestelde energie-efficiëntie dienen te verbeteren om de gewestelijke doelstelling op het vlak van energiebesparing te halen; ii) de maatregelen die gevolg geven aan de verplichtingen voorzien in onderhavig Wetboek op het vlak van het voorbeeldgedrag van de overheden en het verstrekken van informatie en advies aan de eindafnemers. c) Op het vlak van emissies van luchtverontreinigende stoffen : i) beleid en maatregelen om de emissies van luchtverontreinigende stoffen te beperken 3) De maatregelen die energie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie op het grondgebied van het Gewest bevorderen en in dat kader : a) De informatie betreffende het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen in het voorziene eindenergieverbruik, met name het bruto-eindverbruik van energie voor elektriciteit, vervoer, verwarming en koeling in 2020 en 2030, rekening houdend met het effect van beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie. b) De sectorale doelstellingen voor 2020 en 2030 en de geraamde evolutie van het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming, koeling en transport. 4) De maatregelen tot vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften. 5) De maatregelen voor toezicht op en beheer van de luchtkwaliteit; overeenkomstig de Europese normen, vermeldt het plan op dat vlak volgende gegevens : a) De plaatsen waar de luchtkwaliteitsnormen eventueel overschreden worden, per zone en meetstation (kaart, geografische coördinaten). b) De volgende algemene informatie : - Soort gebied (stad, industriezone of landelijk gebied). - Raming van de omvang van het verontreinigde gebied (km2) en van de bevolking die aan de verontreiniging is blootgesteld. - Relevante klimatologische gegevens. Relevante topografische gegevens. - Voldoende gegevens over de beschermingsbehoeften in het betrokken gebied. c) De aard en de beoordeling van de verontreiniging : in de voorgaande jaren waargenomen concentraties (vóór de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering), sedert de start van het project gemeten concentraties alsook de technieken die voor de beoordeling worden gebruikt. d) De bronnen van de verontreiniging : de lijst van de belangrijkste emissiebronnen die verantwoordelijk zijn voor de verontreiniging (kaart), de totale emissie van deze bronnen (ton/jaar), en informatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden. e) De analyse van de situatie : bijzonderheden over de factoren die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding (bv. vervoer, ook grensoverschrijdend; vorming van secundaire verontreinigende stoffen in de atmosfeer), en mogelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. f) Bijzonderheden over de verbeteringsmaatregelen of -projecten alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : de plaatselijke, gewestelijke, nationale en internationale maatregelen en de waargenomen gevolgen van deze maatregelen. g) Bijzonderheden over goedgekeurde maatregelen of projecten ter beperking van de verontreiniging alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : opsomming en beschrijving van alle maatregelen die zijn opgenomen in het project, tijdschema voor de uitvoering en raming van de verwachte verbetering van de luchtkwaliteit en van de tijd die nodig is om die doelstellingen te realiseren. h) Bijzonderheden over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn worden gepland of overwogen. i) De lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden, enz. ter aanvulling van de in deze bijlage vereiste informatie. 6) Een beschrijving van de problematiek van de klimaatveranderingen en van de maatregelen om zich aan die klimaatveranderingen aan te passen. 7) De mechanismen om de emissierechten van broeikasgassen te financieren, te volgen en te beheren. 8) De mechanismen om de ontwikkelingslanden financieel en technologisch te ondersteunen om de klimaatveranderingen te bestrijden en zich aan die situatie aan te passen. 9) De punten waarover overleg zal worden gepleegd met de overige entiteiten om de doelstellingen uiteengezet in punt 1 te bereiken. 10) De voorwaarden voor de actieve bekendmaking van de informatie over lucht, klimaat en energie, met inbegrip van de gegevens ingezameld met toepassing van de verordening (EG) 2008/1099 van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken.
198
Art. N1.2. BIJLAGE 1.2 - Minimuminhoud van het milieu-effectenrapport bedoeld in artikel 1.4.6 Het milieu-effectenrapport dient de volgende informatie te verstrekken : 1) De beschrijving van de verwachte gevolgen voor het milieu in geval van ongewijzigd beleid. 2) De doelstellingen inzake milieubescherming vastgelegd op internationaal, communautair of gewestelijk niveau die relevant zijn voor het plan en de wijze waarop die doelstellingen en de zorg voor het milieu in acht zijn genomen tijdens de opstellen ervan. 3) De samenvatting van de doelstellingen die het plan nastreeft, de voorgestelde maatregelen om die doelstellingen te bereiken en de relevante verbanden met de overige plannen en programma's. 4) Wat de door het plan voorgestelde maatregelen betreft, een beschrijving van : a) de geschiktheid van die maatregelen voor de doelstellingen die het plan nastreeft; b) de mogelijke positieve en negatieve gevolgen voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen op korte, middellange en lange termijn; c) de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke negatieve effecten op het milieu van de geplande maatregelen te voorkomen, te beperken of teniet te doen; d) de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn. 5) Een overzicht van de redenen voor de selectie van de overwogen oplossingen en een beschrijving van de wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd. 6) Een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen. 7) Een niet-technische samenvatting van de in de bovenstaande punten verstrekte informatie.
199
Art. N2.1. BIJLAGE 2.1 - Algemene kaderrichtsnoeren voor de berekening van de energieprestatie van de gebouwen 1. De energieprestatie van een gebouw wordt bepaald op basis van het jaarlijkse effectieve of geraamde energieverbruik en geeft het normale energieverbruik weer voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, ingebouwde verlichting en andere technische bouwsystemen. 2. De energieprestatie van een gebouw wordt ten behoeve zowel van energieprestatiecertificering als conformiteit met de minimumeisen inzake energieprestatie wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt in een numerieke indicator van het primaire energieverbruik in kWH/(m2 per jaar). De methode voor de bepaling van de energieprestatie van een gebouw is transparant en vatbaar voor innovatie. 3. De energiebehoeften voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, verlichting en andere technische bouwsystemen worden berekend teneinde de normen inzake gezondheid, binnenluchtkwaliteit en comfort te optimaliseren.Primaire energie wordt berekend op basis van primaire-energie- of wegingsfactoren per energiedrager, zoals vastgesteld door de Regering 3. Bij de bepaling van de berekeningsmethode op basis van het geraamde energieverbruik worden ten minste de volgende aspecten in aanmerking genomen : a) de volgende feitelijke thermische kenmerken van het gebouw, inclusief scheidingswanden : i) warmtecapaciteit; ii) isolatie; iii) passieve verwarming; iv) koelingselementen; v) koudebruggen; b) verwarmingsinstallatie en warmwatervoorziening, met inbegrip van de isolatiekenmerken; c) ; d) natuurlijke en mechanische ventilatie, wat ook luchtdichtheid kan omvatten; e) ingebouwde lichtinstallatie (vooral buiten de woonsector); f) ontwerp, plaatsing en plaatsbepaling van het gebouw, met inbegrip van het buitenklimaat; g) passieve zonnesystemen en zonnewering; h) de omstandigheden betreffende het binnenklimaat, inclusief het kunstmatig binnenklimaat; i) interne belasting. De berekeningsmethode op basis van de jaarlijkse effectief verbruikte energie houdt ten minste rekening met de volgende elementen : a) de hoeveelheid effectief verbruikte energie door : i) de uitrustingen nodig voor de regulering van het binnenklimaat met het oog op het comfort van de gebruikers ; ii) de installaties en uitrustingen nodig voor het gebruik van het gebouw ; b) methoden van meting van energieverbruik aangepast aan het type energie ; c) de positieve invloed, indien daar reden toe is : i) van de actieve zonnesystemen en andere systemen voor verwarming en elektriciteitsproductie die gebruik maken van de energie die wordt geproduceerd uit hernieuwbare bronnen ; ii) van de elektriciteit geproduceerd door warmtekrachtkoppeling ; iii) van de stedelijke of collectieve verwarmings- en afkoelingssystemen ; d) de tijdelijke voorwaarden die toepasselijk zijn op de verbruiks- of productiegegevens ; e) de factoren van interpolatie/extrapolatie, normalisering en conversie 4. 5. Voor deze berekening, kunnen de gebouwen onderverdeeld worden in de volgende categorieën : a) eengezinswoningen van verschillende typen; b) gemeenschappelijk residentieel; c) kantoren; d) onderwijsgebouwen; e) ziekenhuizen; f) hotels en restaurants; g) sportvoorzieningen; h) groot- en kleinhandelsgebouwen; i) andere typen energieverbruikende gebouwen. 5. Bij de berekening wordt rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten : a) plaatselijke blootstelling aan zonlicht, actieve zonnesystemen en andere verwarmings- en elektriciteitssystemen op basis van energie uit hernieuwbare bronnen ; b) elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling ; c) stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen of blokverwarmings- en blokkoelingssystemen ; d) natuurlijk licht
200
Art. N2.2. Bijlage 2.2. - Eisen inzake energie-efficiëntie voor het aankopen en het huren van gebouwen door de gewestelijke overheden Voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie, zorgen de gewestelijke overheden ervoor dat er uitsluitend gebouwen aangekocht worden of dat er alleen nieuwe huurovereenkomsten gesloten worden voor gebouwen waarvan de energieprestatie voor- beeldig genoemd kan worden in vergelijking met de gemiddelde energieprestatie van de EPB-eenheden van de categorie " Kantoren " zoals bedoeld in punt 5, c), van de bijlage 2.1 van het huidige wetboek. De Regering bepaalt de minimale energieklasse waartoe een gebouw dient te behoren om aan deze eis te voldoen door zich hiervoor te baseren op de energieklassen die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 2.2.12, § 3 van het huidige wetboek. In afwijking van de eerste alinea kunnen de gewestelijke overheden gebouwen aankopen of nieuwe huurovereenkomsten sluiten voor gebouwen die niet aan deze eis voldoen, als : a) de aankoop of huur hetzij een eenvoudige of zware renovatie tot doel heeft, waardoor het gebouw een energieprestatie zou kunnen behalen die minstens overeenstemt met de door de Regering opgegeven energieklasse voor een tertiaire eenheid in overeenstemming met de eerste alinea, hetzij een volledige afbraak van het gebouw beoogt; b) de gewestelijke overheden het gebouw weer verkopen zonder het voor hun eigen doeleinden te gebruiken; c) of de aankoop tot doel heeft om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel te vrijwaren, in overeenstemming met de bepalingen van Titel V " Bescherming van het onroerende erfgoed " van het " Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) ". De overeenstemming met het vereiste energieprestatieniveau wordt nagegaan aan de hand van de EPB-certificaten