id
stringlengths 1
5
| text
stringlengths 7
37.8k
| title
stringclasses 1
value |
|---|---|---|
201
|
Art. N2.3. Bijlage 2.3. - Minimumcriteria voor de energieaudits bedoeld bij artikel 2.5.7, met inbegrip van die welke in het kader van energiebeheersystemen worden uitgevoerd De in artikel 2.5.7 bedoelde energieaudits zijn gebaseerd op de volgende richtsnoeren : a) zij zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastings- profielen; b) zij omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruiksprofiel van gebouwen of groepen van gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer; c) zij bouwen, zoveel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages; d) zij zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties van de gebouwen en de industriële activiteiten of installaties van de onderneming die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken. Energieaudits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt. De bij energieaudits gebruikte gegevens moeten opgeslagen kunnen worden met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties
| |
202
|
Art. N2.4.(vroeger bijlage 2.2) BIJLAGE 2.4 - Bepaling van de administratieve boetes bedoeld in artikel 2.6.1 Definities Voor de toepassing van deze bijlage, wordt verstaan onder : 1° constructiedeel : een wandonderdeel met homogene eigenschappen wat de warmtedoorgangscoëfficiënt betreft; 2° warmtedoorgangscoëfficiënt (of U-waarde) : de warmtedoorgang door een constructieonderdeel per eenheid van oppervlakte, eenheid van tijd en eenheid van temperatuurverschil tussen de omgevingen aan beide zijden van het deel ; 3° K-peil : het peil van de globale warmte-isolatie zoals gedefinieerd door de Regering; 4° totale jaarlijks primair energieverbruik (of Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik) : het conventioneel bepaalde jaarlijkse energieverbruik van een gebouw, uitgedrukt in primaire energie-equivalenten; 5° ventilatiedebiet : de hoeveelheid lucht die onder bepaalde omstandigheden per tijdseenheid door een ventilatievoorziening stroomt; 6° luchtdichtheid : percentage luchtverversing als gevolg van luchtaanvoer en luchtafvoer; 7° nettobehoefte : de nettobehoefte aan energie van een EPB-eenheid voor verwarming of koeling, bepaald via conventie. Administratieve boetes voor de aangever 2.1. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de thermische isolatie 2.1.1. Afwijking op het vlak van de thermische isolatie van de bouwelementen Indien de in de EPB-aangifte opgegeven warmtedoorgangscoëfficiënt van een constructiedeel de maximaal toegestane waarde overschrijdt, rekening houdend met eventueel van toepassing zijnde uitzonderingsregels, bedraagt de overeenkomstige afwijking voor dat constructiedeel, uitgedrukt in W/K : (Uaangifte - Ueis) x Aaangifte waarin Uaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van het betreffende constructiedeel, in W/m2-K; Ueis de maximaal toegestane waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van het betreffende constructiedeel, in W/m2-K; Aaangifte de in de EPB-aangifte vermelde oppervlakte van het betreffende constructiedeel, uitgedrukt in m2. Indien de in de EPB-aangifte opgegeven warmtedoorgangscoëfficiënt van een constructiedeel de maximaal toegestane waarde niet bereikt, rekening houdend met eventueel van toepassing zijnde uitzonderingsregels, dan bedraagt de overeenkomstige afwijking voor dat constructiedeel, uitgedrukt in W/K : (1/Raangifte - 1/Reis) x Aaangifte waarin Raangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmteweerstandscoëfficiënt van het betreffende constructiedeel, in m2K/W; Reis de maximaal toegestane waarde van de warmteweerstandscoëfficiënt van het betreffende constructiedeel, in m2K/W; Aaangifte de in de EPB-aangifte vermelde oppervlakte van het betreffende constructiedeel, uitgedrukt in m2. 2.1.2. Afwijking op het vlak van de globale thermische isolatie (K-peil) Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan één of meerdere eisen i.v.m. het K-peil, dan wordt voor elke overschrijding de overeenkomstige afwijking op het vlak van thermische isolatie, uitgedrukt in m2, als volgt bepaald : 0.01 (Kaangifte - Keis) AT.aangifte waarin Kaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het K-peil; Keis de maximaal toegestane waarde van het K-peil voor de betreffende bestemming; AT.aangifte de in de EPB-aangifte vermelde warmteverliesoppervlakte van de betreffende bestemming, in m2. 2.2. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de totale primaire energieverbruik Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan één of meerdere eisen in verband met het totale energie verbruik, dan wordt de overeenkomstige afwijking, uitgedrukt in kWu/jaar, als volgt bepaald : (Ejaarlijks primair energieverbruik aangifte - Ejaarlijks primair energieverbruik eis) x Aaangifte waarin Ejaarlijks primair energieverbruik aangifte is de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het jaarlijks primair energieverbruik, in kWu/m2{/art}{/art}{/art}{/art}.jaar ; Ejaarlijks primair energieverbruik eis is de maximaal toegestane waarde van het jaarlijks primair energieverbruik van de betreffende eenheid, in kWu/m2.jaar. Aaangifte is de waarde die is vermeld in de EPB-aangifte voor de oppervlakte van de EPB-eenheid, uitgedrukt in m2 2.3. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van het risico op oververhitting Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan één of meerdere eisen in verband met het risico op oververhitting, dan wordt voor elke overschrijding de overeenkomstige afwijking op het vlak van het risico op oververhitting, uitgedrukt in Khm3, als volgt bepaald : (Ioververhitting aangifte - Ioververhitting eis) Vaangifte waarin Ioverhitting aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh; Ioververhitting eis de maximaal toegestane waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh; Vaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het volume van het gebouwdeel waarvoor de evaluatie van het risico op oververhitting gebeurd is, in m3. 2.4. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de ventilatie 2.4.1. Regelbare toevoeropeningen Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale toevoerdebiet een ruimte kleiner is dan de minimumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, dan wordt de overeenkomstige afwijking voor de toevoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald : Vmin. toevoer aangifte - Vtoevoer aangifte Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale ventilatiedebiet in een ruimte groter is dan de geëiste maximumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, dan wordt de overeenkomstige afwijking voor de toevoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald : Vtoevoer aangifte - Vmax. toevoer aangifte waarin Vmin. toevoer aangifte het opgelegde minimaal toevoerdebiet voor die ruimte zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h; Vtoevoer aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totaal toevoerdebiet, bepaald zoals hierna beschreven, in m3/h; Vmax. toevoer aangifte het opgelegde maximaal toevoerdebiet voor die ruimte, zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h. Bij de bepaling van het totale toevoerdebiet in een ruimte gelden de volgende regels. Er wordt gesommeerd over alle luchttoevoervoorzieningen in die ruimte. Als het toevoerdebiet met buitenlucht gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de toevoervoorzieningen die buitenlucht binnen brengen. Als de karakteristieken van een toevoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het ontwerp gelijkgesteld aan nul voor die opening. Het debiet van regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend. Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt als volgt berekend : 3600.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 2 Pa 8000.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 10 Pa waarin Aspleet aanglfte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van de deurspleet, in m2. Als in een ruimte met residentiële bestemming een verplichte afvoer rechtstreeks naar buiten wordt opgelegd, dan worden voor de bepaling van het toevoerdebiet alleen de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) beschouwd. 2.4.2. Afvoervoorzieningen Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale ontwerpafvoerdebiet in een ruimte kleiner is dan de minimumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, wordt de overeenkomstige afwijking voor de afvoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald : Vafvoer, min aangifte - Vafvoer. aangifte waarin Vafvoer, min aangifte het opgelegde minimale afvoerdebiet voor die ruimte zoals dat op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h; Vafvoer. aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totale afvoerdebiet in die ruimte, bepaald zoals hierna beschreven, in m3/h. Bij de bepaling van het totale afvoerdebiet in een ruimte gelden de volgende regels. Er wordt gesommeerd over alle luchtafvoervoorzieningen in die ruimte. Als er afvoer rechtstreeks naar buiten gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de afvoervoorzieningen die de lucht rechtstreeks naar buiten lozen. Voor het debiet van regelbare doorstroomopeningen en de daarmee overeenstemmende afvoervoorziening, gelden de volgende regels. Als de regelkarakteristieken van een regelbare afvoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het afvoerdebiet gelijkgesteld aan nul voor die opening. Zoniet dient het minimum genomen te worden van de volgende twee debieten : - het in de EPB-aangifte opgegeven nominale debiet van de regelbare afvoeropening - het debiet van het bijbehorende afvoerkanaal, berekend aan de hand van de volgende formule : 3600.Aafvoerkanaal, aangifte met Aafvoerkanaal, aangifte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van het afvoerkanaal, in m2. Het debiet van de regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend. Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt als volgt berekend : 3600.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 2 Pa 8000.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 10 Pa waarin Aspleet aangifte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van de deurspleet, in m2. Indien een ruimte met residentiële bestemming een woonkamer, een slaapkamer, een studentenkamer of een speelkamer is, worden voor de bepaling van het afvoerdebiet alleen de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) in aanmerking genomen. 2.5. Verschil als niet wordt voldaan aan de EPB-eisen op het vlak van de netto-behoefte Als in de EPB-aangifte wordt aangegeven dat niet is voldaan aan een of meer eisen op het vlak van de netto-behoefte wordt het overeenkomstige verschil, uitgedrukt in kWu/jaar, als volgt berekend : (Qnet aangifte - Qnet eis) * Aaangifte waarbij Qnet aangifte de waarde is, vermeld in de EPB-aangifte voor de netto-verwarmings of -koelingsbehoefte, uitgedrukt in kWu/m2 jaar; Qnet eis de toegelaten maximale waarde is van de netto-verwarmings of -koelingsbehoefte, uitgedrukt in kWu/m2 jaar; Aaangifte de waarde is, vermeld in de EPB-aangigfte van de oppervlakte van de EPB-eenheid, uitgedrukt in m2.
| |
203
|
Art. N3.3. BIJLAGE 3.3 - Categorieën van activiteiten bedoeld in artikel 3.3.1 Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt en installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder onderhavig Wetboek. De hieronder genoemde drempelwaarden hebben doorgaans betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene onder dezelfde categorie vallende activiteiten worden uitgevoerd, worden de vermogens van de activiteiten bij elkaar opgeteld. Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend om te beslissen of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen, worden het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Deze eenheden kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, draaiovens, droogovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten. Tot " eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken " behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt. Wanneer een eenheid wordt gebruikt voor een activiteit waarvoor de drempel niet is uitgedrukt als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen, bepaalt de drempel die voor deze activiteit wordt gebruikt of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen. Wanneer de installatie de capaciteitsdrempel van één van de in deze bijlage vermelde activiteiten overschrijdt, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie.
| |
204
|
Art. N3.1. BIJLAGE 3.1 - Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling en blootstellingsconcentratieverplichting voor de PM2,5 A. Gemiddelde blootstellingsindex De gemiddelde blootstellingsindex (GBI), uitgedrukt in µg/m3, wordt bepaald op basis van metingen op karakteristieke plaatsen van stedelijke achtergrondvervuiling verspreid over het gehele grondgebied van het Gewest. Hij wordt uitgedrukt als de over drie opeenvolgende kalenderjaren berekende jaargemiddelden van de concentraties die gemiddeld op alle bemonsteringspunten zijn gemeten. De eerste referentie-GBI is de gemiddelde concentratie over de jaren 2009, 2010 en 2011. De GBI voor 2020 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2018, 2019 en 2020. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling is gehaald. De GBI voor 2015 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2013, 2014 en 2015. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of aan de blootstellingsconcentratieverplichting is voldaan. B. Nationale streefwaarde inzake vermindering en blootstellingsconcentratieverplichting voor de PM2,5
| |
205
|
Art. N3.2.BIJLAGE 3.2 - Informatie aan het publiek 1. Leefmilieu Brussel stelt stelselmatig recente gegevens over de omgevingsconcentraties van de bij deze ordonnantie gereguleerde verontreinigende stoffen ter beschikking van de bevolking. 2. Ze omvatten ten minste gegevens over alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, met inbegrip van grenswaarden, streefwaarden, alarmdrempels, informatiedrempels of langetermijndoelstellingen met betrekking tot de gereguleerde verontreinigende stof. Voorts verstrekken zij een korte beoordeling in het licht van de luchtkwaliteitsdoelstellingen en adequate gegevens over de gevolgen voor de gezondheid of, in voorkomend geval, voor de vegetatie. 3. De gegevens over de omgevingsconcentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (ten minste PM10), ozon en koolmonoxide dienen ten minste één keer per dag en, indien mogelijk, van uur tot uur te worden bijgewerkt. De gegevens over de omgevingsconcentraties van lood en benzeen, die als een gemiddelde waarde voor de afgelopen twaalf maanden worden uitgedrukt, worden driemaandelijks en, indien mogelijk, maandelijks bijgewerkt. 4. Leefmilieu Brussel licht de bevolking tijdig in over daadwerkelijke of voorspelde overschrijdingen van de alarmdrempels en de informatiedrempels. In dat verband worden ten minste de volgende gegevens verstrekt : a) gegevens over de waargenomen overschrijding(en) : - plaats of gebied van overschrijding; - soort drempel die is overschreden (informatiedrempel of alarmdrempel); - tijdstip van aanvang en duur van de overschrijding; - hoogste uurgemiddelde en hoogste acht-uurgemiddelde concentratie in geval van ozon; b) prognoses voor de volgende middag of dag(en) : - geografisch gebied van de verwachte overschrijding van de informatie- en/of alarmdrempel; - de verwachte veranderingen in de verontreiniging (verbetering, stabilisatie of verslechtering), samen met de redenen die deze veranderingen verklaren; c) gegevens over de betrokken bevolkingsgroep, mogelijke gevolgen voor de gezondheid en aanbevolen gedrag : - mededelingen over de risicogroepen binnen de bevolking; - beschrijving van de te verwachten symptomen; - aanbevelingen voor de door de betrokken bevolkingsgroep te nemen voorzorgsmaatregelen; - verwijzingen naar de vindplaats van nadere gegevens; d) gegevens over preventieve acties ter vermindering van de verontreiniging en/of de blootstelling daaraan : vermelding van de belangrijkste bronsectoren van de verontreiniging; aanbevelingen voor maatregelen om de uitstoot te verminderen; e) in geval van voorziene overschrijdingen, neemt de Regering maatregelen om te garanderen dat die inlichtingen in de mate van het mogelijke worden verstrekt.
| |
206
|
ActiviteitenBroeikasgassenVerbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval)KooldioxideRaffineren van aardoliënKooldioxideProductie van cokesKooldioxideRoosten of sinteren, met inbegrip van pelletiseren, van ertsen (met inbegrip van zwavelhoudend erts)KooldioxideProductie van ruw ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) inclusief continugieten, met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uurKooldioxideProductie of bewerking van ferrometalen (inclusief ferrolegeringen) waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt. De bewerking omvat, onder andere, walserijen, herverhitters, gloeiovens, smederijen, gieterijen, coating en beitseenhedenKooldioxideProductie van primair aluminiumKooldioxide en perfluorkoolwaterstoffenProductie van secundair aluminium waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxideProductie of bewerking van non-ferrometalen, met inbegrip van de productie van legeringen, raffinage, gieterijen enz., waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (met inbegrip van brandstoffen die als reductoren worden in gezet) van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxideProductie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dagKooldioxideProductie van kalk met inbegrip van het calcineren van dolomiet of magnesiet in draaiovens of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dagKooldioxideFabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dagKooldioxideFabricage van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dagKooldioxideFabricage van isolatiemateriaal uit minerale wol met gebruikmaking van glas, steen of slakken met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dagKooldioxideDrogen of calcineren van gips of het produceren van gipsplaten en andere gipsproducten, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxideProductie van pulp uit hout of andere vezelhoudende materialenKooldioxideProductie van papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dagKooldioxideProductie van roet waarbij organische stoffen zoals olie, teer en kraak- en destillatieresiduen worden verkoold, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxideProductie van salpeterzuurKooldioxide en distikstofoxideProductie van adipinezuurKooldioxide en distikstofoxideProductie van glyoxal en glyoxylzuurKooldioxide en distikstofoxideProductie van ammoniakKooldioxideProductie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatie of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dagKooldioxideProductie van waterstof (H2) en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit van meer dan 25 ton per dagKooldioxideProductie van natriumcarbonaat (Na2CO3) en natriumbicarbonaat (NaHCO3)KooldioxideAfvangen van broeikasgassen van installaties die onder dit Wetboek vallen met het oog op vervoer en geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor krachtens Richtlijn 2009/31/EG een vergunning is verleendKooldioxideVervoer van broeikasgassen via pijpleidingen met het oog op geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleendKooldioxideGeologische opslag van broeikasgassen op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleendKooldioxideArt. N3.4. BIJLAGE 3.4 - Broeikasgassen bedoeld in artikel 3.1.1, 26° - Kooldioxide (CO2); - Methaan (CH4); - Distikstofoxide (N2O); - Fluorkoolwaterstof (HFC); - Perfluorkoolwaterstof (PFC); - Zwavelhexafluoride (SF6).
| |
207
|
Art. N3.6. BIJLAGE 3.6 - Regels betreffende de kosteloze toewijzing van emissierechten 1. De installaties van de bedrijfstakken en deeltakken die door de Europese Commissie worden geacht blootgesteld te zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen een kosteloze hoeveelheid emissierechten die 100 % uitmaakt van de hoeveelheid bepaald tot 2030 in overeenstemming met de door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen in uitvoering van de Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap. 2. De installaties van de bedrijfstakken die niet blootgesteld zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen in 2013 80 % van de hoeveelheid vastgelegd in het besluit 2011/278/EU. De kosteloze toewijzing van emissierechten vermindert daarna elk jaar in gelijke hoeveelheden om vanaf 2020 30 % te bereiken . Na 2026 blijft ze met een gelijke hoeveelheid dalen om de afschaffing van de kosteloze emissierechten in 2030 te bereiken, met uitzondering van de toewijzing van emissierechten aan de sector stadsverwarming 3. Aan de elektriciteitsproducenten worden geen kosteloze emissierechten toegekend. Het gaat hier om installaties die, op 1 januari 2005 of later, elektriciteit hebben geproduceerd voor de verkoop aan derden waarin geen enkele activiteit bedoeld in bijlage 3.3 heeft plaatsgehad buiten de verbranding van brandstof.
| |
208
|
Art. N3.7. BIJLAGE 3.7 - Criteria voor de verificaties bedoeld in artikel 3.3.15 Algemene principes 1. De emissies van elke activiteit vermeld in bijlage 3.3 worden aan een verificatie onderworpen. 2. De verificatieprocedure houdt rekening met de aangifte opgemaakt in toepassing van artikel 3.3.15 en de bewaking van de emissies die in de loop van het vorige jaar werd verricht. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens en naar de informatie over de emissies, in het bijzonder : a) de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen; b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren; c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies; d) indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden. 3. De gerapporteerde emissies kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare en geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid. Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat : a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties; b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen; c) de desbetreffende registers van de exploitatiesite volledig en consistent zijn. 4. De verificateur krijgt toegang tot alle sites en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie. 5. De verificateur houdt rekening met het feit dat de installatie al dan niet in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem) geregistreerd is. Methode Strategische analyse 6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle uitgeoefende activiteiten in de exploitatiesite. Dat houdt in dat de verificateur een overzicht moet hebben van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau. Procesanalyse 7. De verificatie van de overgelegde informatie vindt, zo nodig, plaats op de exploitatiesites. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen. Risicoanalyse 8. De verificateur moet alle emissiebronnen aanwezig in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens die voor elke bron die tot de totale emissies van de exploitatiesite bijdraagt, verstrekt zijn. 9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen waarvan het bepalen van de emissies een groot foutenpotentieel vertoont en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van de verschillende emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de voornoemde aspecten van de bewakingsprocedure. 10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden. Verslag De verificateur bereidt een verslag voor over het valideringsproces waarin wordt vermeld of de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is. In dit verslag komen alle aspecten aan bod die voor het verrichte werk van belang zijn. De verificateur kan bevestigen dat de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is als, volgens hem, de aangegeven totale emissies niet materieel onjuist zijn.
| |
209
|
Artikel 1.Dit wetboek regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet. (2). Het beoogt met name de gehele of gedeeltelijke omzetting van de volgende Europese richtlijnen : - richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten; - richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; - richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken; - richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten; - richtl[00c4][00b3]n 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's; - richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand; - richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, gewijzigd door richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014; - richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG van de Raad
| |
210
|
Art. 2.De ontwikkeling van het Gewest, samen met de ordening van zijn grondgebied, wordt nagestreefd om, op een duurzame manier, tegemoet te komen aan de sociale, economische, patrimoniale en milieu- en mobiliteitsbehoeften van de gemeenschap door het kwalitatief beheer van het levenskader, door het zuinig gebruik van de bodem en zijn rijkdommen en door de instandhouding en de ontwikkeling van het cultureel, natuurlijk en landschappelijk erfgoed. en door een verbetering van de energieprestatie van de gebouwen en van de mobiliteit (4).
| |
211
|
Art. 3. Bij de tenuitvoerlegging van dit Wetboek, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale en economische vooruitgang met de kwaliteit van het leven te verzoenen, en de inwoners van het Gewest ervan te verzekeren dat een harmonieuze ordening in acht wordt genomen. (6).
| |
212
|
Art. 4.Elk jaar bij de bespreking van de begroting en uiterlijk op 31 december legt de Regering op het bureau van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een verslag neer over de stand van zaken en de vooruitzichten inzake de ontwikkeling en de stedebouw en over de uitvoering van de gewestelijke en gemeentelijke plannen voor. (8)
| |
213
|
Art. 5.De Regering duidt de ambtenaren aan van de besturen belast met stedenbouw, monumenten en landschappen en territorialeplanning hierna het Bestuur genoemd, welke gemachtigd worden voor de in dit Wetboek nader omschreven doelstellingen. Onder hen bevindt zich minstens één ambtenaar die gespecialiseerd is in het behoud van het onroerend erfgoed, die houder is van een diploma hoger onderwijs of minstens tien jaar beroepservaring heeft inzake onroerend erfgoed, overeenkomstig de eisen van de Regering in dit verband Zij worden " gemachtigd ambtenaar ", " gemachtigd ambtenaar Erfgoed " of " sanctionerend ambtenaar " genoemd
| |
214
|
Art. 5/1. De Regering bepaalt in voorkomend geval de onverenigbaarheden en de verboden op belangenconflicten die zouden wegen op de sanctionerende ambtenaren
| |
215
|
Art. 6.De Regering bepaalt de nadere regels van het openbaar onderzoek in naleving van de volgende beginselen : 1° de duur van een openbaar onderzoek mag niet korter dan vijftien dagen zijn; 2° ten minste de helft van de voorgeschreven termijn van een openbaar onderzoek valt buiten de periode van de zomer-, Paas- en Kerstschoolvakanties; 3° de dossiers zijn ten minste één werkdag per week tot 20 uur toegankelijk; 4° iedereen kan technische uitleg krijgen volgens de door de Regering bepaalde regels; 5° iedereen kan schriftelijk met name via e-mail of, indien nodig, mondeling opmerkingen en bezwaren maken vóór de sluiting van het openbaar onderzoek. De Regering of de gemeenten kunnen zelf beslissen over bijkomende vormen van openbaarmaking en raadpleging. De Regering bepaalt onder welke voorwaarden subsidies worden verleend voor het uitvoeren van de bepalingen van dit artikel. 6° er wordt overgegaan tot de uithanging van een axonometrie of een ander gelijkwaardig systeem voor driedimensionale grafische voorstelling dat de volumetrische eigenschappen van het project aanschouwelijk maakt, overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd door de Regering, indien de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die het voorwerp uitmaakt van het openbaar onderzoek, betrekking heeft op een nieuwbouw waarvan de oppervlakte groter is dan 400 vierkante meter, op de uitbreiding met meer dan 400 vierkante meter van een bestaand gebouw of op een gebouw waarvan de hoogte één of meer bouwlagen hoger zal zijn dan de omliggende bebouwing in een straal van vijftig meter. Er is geen axonometrie vereist voor infrastructuurwerken die niet de oprichting van de bovengrondse volumes omvatten (12)
| |
216
|
Art. 7.Er wordt een Gewestelijke Ontwikkelingscommissie opgericht, hierna de "Gewestelijke Commissie" genoemd. De Regering vraagt het advies van de Gewestelijke Commissie betreffende de voorontwerpen van ordonnantie en de ontwerpbesluiten die betrekking hebben op de aangelegenheden bedoeld in dit Wetboek die een aanzienlijke impact hebben op de ontwikkeling van het Gewest. De Gewestelijke Commissie brengt haar advies uit binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag De Gewestelijke Commissie is belast met het uitbrengen van een met redenen omkleed advies over de ontwerpen van gewestelijk ontwikkelingsplan, van gewestelijk bestemmingsplan, van richtplannen van aanleg, van gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen en over de ontwerpen van gemeentelijke ontwikkelingsplannen. De Gewestelijke Commissie kan, inzake de uitvoering of de aanpassing van de plannen en verordeningen waarover zij zich moet uitspreken, opmerkingen maken of suggesties voordragen bij de Regering. Zij stelt algemene richtlijnen voor in verband met het voorbereiden en het opmaken van ontwikkelings- en bestemmingsplannen alsmede van stedenbouwkundige verordeningen. De Regering kan bovendien alle kwesties met betrekking tot de ontwikkeling van het Gewest aan de Gewestelijke Commissie voorleggen. De Gewestelijke Commissie overhandigt de Regering, uiterlijk op 30 juni van elk jaar, een verslag over haar activiteiten. De Gewestelijke Commissie is samengesteld uit achttien onafhankelijke experts, benoemd door de Regering, waarvan negen voorgedragen door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. Deze experts vertegenwoordigen de volgende disciplines : stedenbouw en ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, huisvesting, cultureel en natuurlijk erfgoed, economie en architectuur. De Regering bepaalt de regels voor de aanwijzing van deze experts en voor de werking van de Gewestelijke Commissie, met name de hoorzitting van de afgevaardigden van de Regering of van de gemeente die een in het tweede lid bedoeld ontwerp uitgewerkt heeft De Gewestelijke Commissie kan onderverdeeld worden in gespecialiseerde secties. De leden van de Gewestelijke Commissie worden door de Regering aangewezen bij elke volledige vernieuwing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en uiterlijk op de 1e januari die volgt op zijn installatie. (14)
| |
217
|
Art. 8.De Gewestelijke Commissie wordt bijgestaan door een vast secretariaat. De opdrachten van dit secretariaat zijn onder meer : 1° de voorbereiding van het in artikel 7 bedoelde jaarverslag; 2° een register met de door de Gewestelijke Commissie uitgebrachte adviezen ter beschikking van de bevolking houden ; 3° de bekendmaking van de adviezen van de Gewestelijke Commissie op het internet
| |
218
|
Art. 9 § 1. Voor elke gemeente van het Gewest wordt een overlegcommissie opgericht. Haar advies is in de volgende gevallen vereist : 1° voorafgaandelijk aan de goedkeuring van een bijzonder bestemmingsplan, een onteigeningsplan dat ter uitvoering van een dergelijk plan wordt opgesteld en een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening; 2° voorafgaandelijk aan de uitreiking van een stedenbouwkundige vergunning, een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundig attest, telkens dit bij onderhavig Wetboek, bij een plan of een verordening of is voorzien; 3° wanneer de Regering, de gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen de overlegcommissie om advies vraagt over alle kwesties die betrekking hebben op de plaatselijke ruimtelijke ordening, andere dan die met betrekking tot de uitwerking van plannen en verordeningen en het onderzoek van aanvragen voor vergunningen. Ze kan bovendien dienaangaande alle nuttige voorstellen formuleren. § 2. De Regering bepaalt de samenstelling, de organisatie en de werkingsregels van de overlegcommissies, alsook, in voorkomend geval, bepaalde adviescriteria door de volgende principes toe te passen : 1° de vertegenwoordiging : - van de gemeenten; - van het bestuur belast met stedenbouw; - van het bestuur belast met monumenten en landschappen; - van het Brussels Instituut voor Milieubeheer; - van Brussel Mobiliteit en het bestuur belast met territoriale planning wanneer de overlegcommissie wordt geraadpleegd vóór de uitwerking, wijziging of opheffing van een bijzonder bestemmingsplan; 2° het verbod voor de leden van de overlegcommissies om deel te nemen aan het stemmen over de vergunningsaanvragen of over de ontwerpplannen of ontwerpen van verordening die uitgaan van het orgaan dat zij vertegenwoordigen; 3° de terbeschikkingstelling aan de bevolking van een register met de notulen van de vergaderingen en met de door de commissies uitgebrachte adviezen; 4° de waarneming van het voorzitterschap van de overlegcommissie door het bestuur belast met stedenbouw wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project van gewestelijk belang inzake mobiliteit. Een project is van gewestelijk belang inzake mobiliteit als het gaat om handelingen en werken betreffende het wegennet en de openbare ruimten, zoals omschreven in artikel 189/1, waarvan het belang het louter gemeentelijk belang en het grondgebied van één enkele gemeente overstijgt of om het even welk project dat als zodanig in het gewestelijk mobiliteitsplan wordt aangegeven; 5° het horen van de natuurlijke of rechtspersonen die erom vragen tijdens het openbaar onderzoek
| |
219
|
Art. 10. De Regering bepaalt onder welke voorwaarden aan de gemeenten subsidies worden verleend voor de werking van de overlegcommissies. (20)
| |
220
|
Art. 11.§ 1. Er wordt een Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen opgericht. Haar opdracht bestaat erin de adviezen te verstrekken die door of krachtens dit Wetboek (22) zijn vereist. Deze adviezen worden met redenen omkleed Zij kan eveneens de Regering op aanvraag van deze laatste of op eigen initiatief, van advies dienen over iedere aangelegenheid die betrekking heeft op een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort. Zij kan haar eveneens aanbevelingen doen voor het algemeen beleid inzake de problematiek van het behoud. Ter uitvoering van de bevoegdheden inzake advies en aanbevelingen die haar krachtens de voorgaande leden zijn toegekend, verzekert de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen het behoud van de goederen die onder het onroerend erfgoed vallen, die ingeschreven zijn op de bewaarlijst of beschermd zijn te verzekeren en te waakt ze over hun herbestemming wanneer ze niet uitgebaat of niet gebruikt worden. § 2. De Regering stelt de samenstelling, de organisatie en de regels van onverenigbaarheid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vast en past daarbij de volgende principes toe : 1. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is samengesteld uit 18 leden die door de Regering benoemd worden. Twaalf worden gekozen op basis van een dubbele lijst die door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement voorgelegd wordt en zes worden gekozen op de voordracht van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. 2. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is samengesteld uit leden die afkomstig zijn van alle kringen die bij het behoud betrokken zijn, verenigingen inbegrepen. De leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zijn bekend om hun bekwaamheid inzake het behoud van het onroerende erfgoed. Elk van de volgende vakgebieden is vertegenwoordigd : stedenbouw, landschapsarchitectuur, architectuur, bouwengineering, geschiedenis, kunstgeschiedenis, archeologie, natuurlijk erfgoed, restauratietechnieken en bouweconomie. De Regering kan de vertegenwoordiging van bijkomende vakgebieden voorzien Bovendien omvat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ten minste een licentiaat of doctor in de archeologie en kunstgeschiedenis, een licentiaat of doctor in de geschiedenis en een architect. 3. De leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen worden benoemd voor een mandaat van zes jaar, dat ten hoogste tweemaal hernieuwd kan worden 4. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt om de drie jaar voor de helft vernieuwd. 5. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen kan slechts een eensluidend advies uitbrengen dat door of krachtens dit Wetboek is vereist indien minstens twee derde van haar aangewezen leden aanwezig zijn. Zolang het aanwezigheidsquorum niet bereikt is, kunnen nieuwe vergaderingen worden samengeroepen met dezelfde agenda. In dat geval, wordt de termijn waarbinnen het eensluidend advies moet worden uitgebracht met vijftien dagen verlengd. Is het aanwezigheidsquorum niet bereikt binnen deze verdagingstermijn, dan wordt het advies geacht positief te zijn § 3. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen keurt een huishoudelijk reglement goed dat ze ter goedkeuring voorlegt aan de Regering. De adviezen, de opmerkingen, aanbevelingen en suggesties van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, worden bij gewone meerderheid van de aanwezige leden geformuleerd. Eensluidende adviezen die door of krachtens dit Wetboek zijn vereist, worden evenwel geformuleerd bij tweederde meerderheid van de aangewezen leden geformuleerd; bij ontstentenis ervan worden de adviezen gunstig geacht Wanneer het eenvormig advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen gepaard gaat met voorwaarden, worden die duidelijk en nauwkeurig opgesomd in het bepalend gedeelte van dat advies § 4. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt bijgestaan door een vast secretariaat. Dit secretariaat wordt verzorgd door het bestuur belast met monumenten en landschappen Het secretariaat heeft met name als taak het secretariaat en de interne administratie van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te verzekeren. § 5. De adviezen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen bedoeld in § 1, tweede lid, worden opgenomen in een door het secretariaat gehouden register en zijn toegankelijk voor het publiek. Zij kunnen op het secretariaat van de Commissie worden geraadpleegd. Deze laatste zorgt bovendien voor de bekendmaking van deze adviezen op een informatienetwerk dat toegankelijk is voor het publiek (24)
| |
221
|
Art. 11/1. § 1. De Regering stelt voor een periode van maximaal vijf jaar een Bouwmeester aan, belast met het toezicht op de architecturale kwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 2. De Regering legt de lijst vast van de vergunningsaanvragen die wegens het bijzondere belang van hun architecturale kwaliteit naast artikel 124 het voorafgaande advies van de Bouwmeester moeten bevatten. De Regering legt de voorwaarden vast voor de afgifte van het advies van de Bouwmeester. § 3. De geldende vereiste volgens § 2, eerste lid is niet langer van toepassing indien de Bouwmeester zijn advies niet naar de aanvrager verstuurd heeft binnen de zestig dagen na de ontvangst van de adviesaanvraag
| |
222
|
Art. 12 Er wordt een Stedenbouwkundig College opgericht dat belast wordt met het uitbrengen van een advies in het kader van de procedure tot opschorting en nietigverklaring van de vergunningen en van de beroepen die bij de Regering worden ingediend tegen de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar Het Stedenbouwkundig College bestaat uit negen deskundigen benoemd door de Regering op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De mandaten worden voor zes jaar toegekend en zijn hernieuwbaar. Het Stedenbouwkundig College wordt om de drie jaar voor één derde hernieuwd. De Regering bepaalt de organisatie en de werking van het Stedenbouwkundig College, de vergoeding van zijn leden alsmede de onverenigbaarheidsregels. Het secretariaat wordt door ambtenaren van het bestuur belast met stedenbouw waargenomen. (26)
| |
223
|
Art. 12/1 Voor de toepassing van dit Wetboek, worden de termijnen gerekend vanaf de dag na de dag van ontvangst van een akte, een aanvraag, een advies of een beroep, behalve wanneer bepaald is dat een termijn uitdrukkelijk begint te lopen vanaf een andere datum. De vervaldag, met inbegrip van de dag van de afsluiting van het openbaar onderzoek, wordt meegerekend in de termijn. Wanneer die dag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag verschoven naar de eerstvolgende werkdag. De verzending van schriftelijke bezwaren of opmerkingen, van een akte, een aanvraag, een advies, een beroep of een beslissing, moet gebeuren binnen de termijn berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid Voor de toepassing van dit Wetboek wordt de kennisgeving gerekend vanaf de datum van verzending, behalve in geval van andersluidende bepaling. In uitvoering van de bepalingen van dit Wetboek die verwijzen naar deze vakantieperiodes, is de Regering gemachtigd om de begin- en einddata van de zomer-, kerst- en paasvakantie vast te leggen
| |
224
|
Art. 12/2. De Regering kan andere, met name elektronische, communicatievormen toestaan en organiseren, voor alle mededelingen waarvoor dit Wetboek een aangetekend schrijven of de overhandiging per bode voorschrijft. De indiening van vergunningsaanvragen en alle communicatie die er in het kader van het onderzoek van deze aanvragen gebeurt tussen de aanvrager en de bevoegde overheden, kunnen gebeuren via elektronische weg, volgens de modaliteiten die door de Regering moeten worden bepaald. De Regering kan de modaliteiten organiseren voor de terbeschikkingstelling aan het publiek, op het internet, van elk document dat onder het Wetboek of de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek valt, met name de documenten die zijn onderworpen aan het openbaar onderzoek
| |
225
|
Art. 13 De ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordening van zijn grondgebied worden bepaald door de volgende plannen : 1. het gewestelijk ontwikkelingsplan; 2. het gewestelijk bestemmingsplan; 3. de richtplannen van aanleg; 4. de gemeentelijke ontwikkelingsplannen; 5. de bijzondere bestemmingsplannen
| |
226
|
Art. 15.De Regering bepaalt onder welke voorwaarden door het Gewest subsidies worden verleend voor het uitwerken , het wijzigen en het opheffen van de gemeentelijke plannen. (32)
| |
227
|
Art. 15/1. Met voorbehoud van de bijzondere gevallen voorzien in dit Wetboek moeten de uitwerking, de wijziging en de opheffing van de plannen bedoeld in artikel 13 het voorwerp uitmaken van een milieueffectenrapport. Het milieueffectenrapport, waarvan de Regering de structuur vastlegt, bevat de informatie die wordt opgesomd in bijlage C bij dit Wetboek, rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van het plan, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau of op het niveau van de latere vergunningsaanvragen, waar het verkieslijk kan zijn de beoordeling te maken om een herhaling ervan te vermijden. Het milieueffectenrapport houdt rekening met de resultaten die verkregen zijn bij eerder uitgevoerde relevante milieubeoordelingen
| |
228
|
Art. 16.De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt een gewestelijk ontwikkelingsplan vast dat van toepassing is op het volledig Brussels Hoofdstedelijk grondgebied. Binnen de zes maanden die volgen op de maand van de installatie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement maakt de Regering een rapport over haar intentie om over te gaan tot een eventuele volledige of gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan ter informatie over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. (34)
| |
229
|
Art. 17.Het gewestelijk ontwikkelingsplan is een instrument voor de globale planning van de gewestelijke ontwikkeling in het kader van de duurzame ontwikkeling. Het bepaalt : 1° de algemene en sectorale doelstellingen evenals de ontwikkelingsprioriteiten, met inbegrip van die inzake ruimtelijke ordening, vereist door de economische, sociale, culturele behoeften en die inzake mobiliteit, toegankelijkheid en milieu; 2° de transversaal en sectoraal in te zetten middelen om de alzo gedefinieerde doelstellingen en prioriteiten te bereiken, met name door de kaartsgewijze voorstelling van sommige van die maatregelen; 3° de vaststelling van de prioritaire interventiegebieden van het Gewest; 4° in voorkomend geval de aan de normatieve bepalingen, plannen en programma's die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen worden toegepast in functie van de alzo gepreciseerde doelstellingen en middelen, aan te brengen wijzigingen. (36)
| |
230
|
Art. 18.§ 1. De Regering maakt het ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan op en maakt een milieu-effectenrapport. § 2. Op verzoek van de Regering en binnen de door haar vastgestelde termijn, brengt elk gewestelijk bestuur en elke gewestelijke instelling van openbaar nut die elementen naar voren die tot haar bevoegdheid behoren met . De Regering voegt aan het ontwerpplan de lijst van deze besturen en instellingen toe. De Regering brengt de Gewestelijke Commissie regelmatig op de hoogte van de evolutie van de voorafgaande studies, en deelt haar de resultaten ervan mee. De Gewestelijke Commissie kan op elk ogenblik opmerkingen maken of suggesties voordragen die zij nuttig acht. § 3. . § 4. De Regering onderwerpt het ontwerpplan en het milieueffectenrapport of, in voorkomend geval, de in artikel 20, § 4 bedoelde documenten, adviezen en beslissingen, gelijktijdig aan de in het tweede lid bedoelde adviezen en aan het openbaar onderzoek. De door de Regering gevraagde adviezen worden aan haar overgemaakt binnen de hierna volgende termijn, bij ontstentenis waarvan de procedure wordt voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd overgemaakt in aanmerking moet worden genomen : - zestig dagen voor het bestuur belast met territoriale planning, het Brussels Instituut voor Milieubeheer, de Economische en Sociale Raad, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, de Raad voor het Leefmilieu, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Adviesraad voor Huisvesting en de andere adviesorganen waarvan de Regering de lijst kan opstellen; - vijfenzeventig dagen voor de gemeenteraden. Het openbaar onderzoek duurt zestig dagen. Het voorwerp en de begin- en einddatum van het onderzoek worden aangekondigd, volgens de regels die de Regering bepaalt : - door aanplakking in elke gemeente van het Gewest; - door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in verscheidene Nederlandstalige en Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid; - door een mededeling via de radio; - op de website van het Gewest. De aan het onderzoek onderworpen documenten worden gedurende de duur van het onderzoek ter inzage van de bevolking neergelegd in het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest of van elke betrokken gemeente wanneer het een wijziging betreft van het gewestelijk ontwikkelingsplan. Ze worden eveneens ter beschikking gesteld op het internet. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de neerlegging en verzending van de bezwaren en opmerkingen binnen de termijn van het onderzoek, met inachtneming van de principes die zijn vastgelegd in artikel 6 § 5. Samen met het milieueffectenrapport, of, desgevallend, de in artikel 20, § 4 bedoelde documenten, beslissingen en adviezen, de bezwaren, de opmerkingen en de adviezen wordt het ontwerp-plan door de Regering aan de Gewestelijke Commissie voorgelegd. De Gewestelijke Commissie brengt haar advies uit en deelt het mede aan de Regering binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier, bij ontstentenis waarvan de procedure wordt voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht nog in aanmerking moet worden genomen. Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen zij niet geldig samengesteld is bij gebreke van de aanwijzing van haar leden binnen de bij artikel 7 bepaalde termijn, gaat de termijn van negentig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden. De Regering deelt aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een afschrift van het advies van de Gewestelijke Commissie mee, evenals een afschrift van de adviezen, bezwaren en opmerkingen gemaakt binnen vijftien dagen vanaf de ontvangst van het advies van de Gewestelijke Commissie Minstens de helft van de termijn van negentig dagen valt buiten de schoolvakantieperioden. § 6. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lid-Staat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, wordt het ontwerp-plan, samen met het milieueffectenrapport en de eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten of, desgevallend, de in artikel 20, § 4 bedoelde documenten, adviezen en beslissingen overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit Gewest, van deze andere lid-Staat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo. De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten; 2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten; 3° de modaliteiten volgens welke het plan, de onder paragraaf 4, vierde lid en in paragraaf 5, eerste lid van dit artikel bedoelde uitgebrachte adviezen en de in artikel 22 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten aan de onder voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt. (38)
| |
231
|
Art. 19 § 1. Binnen zestig dagen vanaf de ontvangst van het advies van de Gewestelijke Commissie of vanaf de vervaldag van de aan deze commissie toebedeelde termijn om haar advies uit te brengen, kan de Regering na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek en van de uitgebrachte adviezen, het plan hetzij definitief goedkeuren, hetzij wijzigen. In het eerste geval motiveert ze haar beslissing op elk punt waarin ze afwijkt van de adviezen of bezwaren en opmerkingen die werden uitgebracht tijdens het onderzoek. In het tweede geval, behalve wanneer het slechts kleine wijzigingen betreft die geen aanzienlijke impact zullen hebben op het leefmilieu, wordt het gewijzigde ontwerp, desgevallend samen met een aanvulling op het milieueffectenrapport, opnieuw onderworpen aan de onderzoekshandelingen, overeenkomstig artikel 18, § 4 en volgende. Wanneer bovendien het ontwerpplan was vrijgesteld van het milieueffectenrapport overeenkomstig artikel 20, § 4 : - kunnen de in het ontwerp aangebrachte wijzigingen hetzij een aanzienlijke impact hebben op het leefmilieu en moet het gewijzigde ontwerp het voorwerp uitmaken van een milieueffectenrapport; - kunnen de in het ontwerp aangebrachte wijzigingen hetzij geen aanzienlijke impact hebben op het leefmilieu en moet in het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan uitdrukkelijk worden aangegeven waarom het geen aanzienlijke impact zal hebben. Het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan geeft in zijn motivatie een samenvatting van : - de manier waarop de milieubeschouwingen werden opgenomen in het plan; - de manier waarop het milieueffectenrapport, wanneer dit vereist is, en de adviezen, bezwaren en opmerkingen uitgebracht tijdens de procedure, in aanmerking werden genomen; - de redenen voor de keuzes van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de andere beoogde redelijke oplossingen. Wanneer het plan niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieueffectenrapport, neemt het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan de in artikel 20, § 4 met redenen omklede beslissing over § 2 Het besluit van de Regering houdende goedkeuring van het plan wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, waarbij tevens het advies van de Gewestelijke Commissie wordt afgedrukt, en de in artikel 22 (40) gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten van het plan gepreciseerd worden. Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Binnen drie dagen na deze bekendmaking ligt het volledige plan , desgevallend samen met het milieueffectenrapport, ter beschikking van de bevolking op het internet en in elk gemeentehuis. Binnen dezelfde termijn wordt het plan overgemaakt aan de Gewestelijke Commissie en aan de in de uitwerkingsprocedure van het ontwerp-plan geraadpleegde organismen en besturen. (42)
| |
232
|
Art. 20.§ 1. De Regering beslist over de wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan bij een met redenen omkleed besluit. § 2. De wijzigingsprocedure is onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 18 en 19. § 3. Evenwel, onder voorbehoud van het volgende lid, wanneer zij meent, rekening houdend met de in bijlage D van dit Wetboek opgesomde criteria, dat de geplande wijziging niet van die aard is dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kan hebben, kan de Regering, overeenkomstig de procedure die is vastgelegd in § 4, beslissen dat het ontwerp van wijziging van het gewestelijke ontwikkelingsplan niet aan een milieueffectenrapport onderworpen moet worden. Er moet een milieueffectenrapport gemaakt worden voor een ontwerp van wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan wanneer dit ontwerp rechtstreeks betrekking heeft op een of meer gebieden : - die zijn aangeduid overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; - waarin vestigingen kunnen komen die een risico van zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van de richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG van de Raad, of die voorzien in de inschrijving, in de nabijheid van dergelijke vestigingen of van gebieden waarin ze zijn toegelaten, van gebieden die bestemd zijn voor huisvesting of voor bezoek door het publiek, die een bijzonder natuurlijk belang inhouden of die verbindingswegen omvatten § 4. Wanneer de Regering a priori meent, overeenkomstig § 3, eerste lid, dat het ontwerp van wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan geen noemenswaardige weerslag op het milieu kan hebben, vraagt zij het advies van de Gewestelijke Commissie en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer omtrent het ontbreken van een noemenswaardige weerslag van het ontwerp van wijziging. Ter staving van de adviesaanvraag wordt een dossier bijgevoegd dat minstens de memorie van toelichting, de richtlijnen van het ontwerp van wijziging en de elementen van de bestaande toestand die het ontwerp wil wijzigen, bevat. De adviezen worden naar de Regering gestuurd binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht in aanmerking moet worden genomen. Na inzage van de uitgebrachte adviezen besluit de Regering, in een met redenen omklede beslissing, of de geplande wijziging al of niet het voorwerp moet uitmaken van een milieueffectenrapport
| |
233
|
Art. 21 Het plan is indicatief in alle bepalingen ervan. Het gewestelijk bestemmingsplan , het richtplan van aanleg, het gemeentelijk ontwikkelingsplan en het bijzonder bestemmingsplan mogen hier niet van afwijken, tenzij de redenen hiervoor uitdrukkelijk worden aangegeven. De toekenning van hulp door de Regering aan publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen kan slechts plaatshebben wanneer de bepalingen van het plan worden nageleefd
| |
234
|
Art. 22.De Regering duidt de gemachtigde ambtenaren van het bestuur belast met territoriale planning aan, die haar om de vijf jaar na de goedkeuring van het plan, een verslag voorleggen over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van het gewestelijk ontwikkelingsplan op het milieu om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en van de eventueel aan te brengen correcturen. Deze verslagen worden op het bureau van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement neergelegd en zijn het voorwerp van een voor het publiek toegankelijke publicatie , met name op de website van het Gewest. (48)
| |
235
|
Art. 23. Het gewestelijk bestemmingsplan is van toepassing op het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (50)
| |
236
|
Art. 24. Het gewestelijk bestemmingsplan gaat uit van de richtsnoeren van het gewestelijk ontwikkelingsplan dat van kracht is op de dag dat het wordt goedgekeurd. Het vermeldt : 1° de bestaande rechts- en feitelijke toestand; 2° de algemene bestemming van de verschillende delen van het grondgebied en de voorschriften die erop betrekking hebben; 3° de maatregelen van aanleg voor de belangrijkste verkeerswegen; 4° de delen waar een bijzondere bescherming gerechtvaardigd is om culturele, sociale, historische, esthetische of economische redenen of om redenen van milieubescherming , met inbegrip van de preventie waarop gedoeld wordt in de artikelen 2 en 24 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en, in het bijzonder van de beschouwingen die vervat zijn in artikel 24, § 1, tweede lid, van dat akkoord . Het kan de wijzigingen vermelden die moeten worden aangebracht aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en aan de bijzondere bestemmingsplannen. Het kan bovendien voorschriften betreffende de plaatsing en de omvang van de bouwwerken en voorschriften van esthetische aard bevatten. (52)
| |
237
|
Art. 25.§ 1. De Regering maakt het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan op en maakt een milieueffectenrapport. § 2. Op aanvraag van de Regering en binnen de door haar bepaalde termijn brengt elk gewestelijk bestuur en elke instelling van openbaar nut de elementen naar voren die tot zijn bevoegdheid behoren . De Regering voegt de lijst van deze besturen en instellingen bij het ontwerpplan De Regering brengt de Gewestelijke Commissie regelmatig op de hoogte van de evolutie van de voorafgaande studies, en deelt haar de resultaten ervan mee. De Gewestelijke Commissie kan op elk ogenblik opmerkingen maken of suggesties voordragen die zij nuttig acht. § 3. . § 4. De Regering onderwerpt het ontwerpplan en het milieueffectenrapport of, desgevallend, de in artikel 27, § 3 bedoelde documenten, adviezen en beslissingen, gelijktijdig aan de in het tweede lid bedoelde adviezen en aan het openbaar onderzoek. De door de Regering gevraagde adviezen worden aan haar overgemaakt binnen de hierna volgende termijn, bij ontstentenis waarvan de procedure wordt voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd overgemaakt in aanmerking moet worden genomen : - zestig dagen voor het bestuur belast met territoriale planning, het Brussels Instituut voor Milieubeheer, de Economische en Sociale Raad, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, de Raad voor het Leefmilieu, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Adviesraad voor Huisvesting en de andere adviesorganen waarvan de Regering de lijst kan opstellen; - vijfenzeventig dagen voor de gemeenteraden. Het openbaar onderzoek duurt zestig dagen. Het voorwerp en de begin- en einddatum van het onderzoek worden aangekondigd, volgens de regels die de Regering bepaalt : - door aanplakking in elke gemeente van het Gewest; - door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in verscheidene Nederlandstalige en Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid; - door een mededeling via de radio; - op de website van het Gewest. De aan het onderzoek onderworpen documenten worden gedurende de duur van het onderzoek ter inzage van de bevolking neergelegd in het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest of van elke betrokken gemeente wanneer het een wijziging betreft van het gewestelijk bestemmingsplan. Ze worden eveneens ter beschikking gesteld op het internet. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de neerlegging en verzending van de bezwaren en opmerkingen binnen de termijn van het onderzoek, met inachtneming van de principes die zijn vastgelegd in artikel 6 § 5. Samen met het milieu-effectenrapport, of, desgevallend, in artikel 27, § 3 bedoelde documenten, beslissingen en adviezen en de bezwaren, de opmerkingen en de adviezen wordt het ontwerp-plan door de Regering aan de Gewestelijke Commissie voorgelegd. De Gewestelijke Commissie brengt haar advies uit en deelt het mede aan de Regering binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier, bij ontstentenis waarvan de procedure wordt voorgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht in aanmerking moet worden genomen. Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen zij niet geldig is samengesteld bij gebreke aan de aanwijzing van haar leden binnen de bij artikel 7 bepaalde termijn gaat de termijn van negentig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden. De Regering deelt aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een afschrift van het advies van de Gewestelijke Commissie mee, evenals een afschrift van de adviezen en van de bezwaren en opmerkingen uitgebracht binnen vijftien dagen vanaf de ontvangst van het advies van de Gewestelijke Commissie Minstens de helft van de termijn van negentig dagen valt buiten de schoolvakantieperioden. § 6. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lid-Staat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, wordt het ontwerp-plan, samen met het milieueffectenrapport en de eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten of, desgevallend, de in artikel 27, § 3 bedoelde documenten, beslissingen en adviezen overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit Gewest, van deze andere lidstaat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo. De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten; 2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten; 3° de modaliteiten volgens welke het plan, de onder paragraaf 4, vierde lid en in paragraaf 5, eerste lid van dit artikel bedoelde uitgebrachte adviezen en de in artikel 30 bedoelde afhandelingsmodaliteiten aan de onder voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt. (54)
| |
238
|
Art. 26 § 1 Binnen zestig dagen vanaf de ontvangst van het advies van de Gewestelijke Commissie of vanaf de vervaldag van de aan deze Commissie toebedeelde termijn om haar advies uit te brengen, kan de Regering na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek en van de uitgebrachte adviezen, het plan hetzij definitief goedkeuren, hetzij wijzigen. In het eerste geval motiveert ze haar beslissing op elk punt waarin ze afwijkt van de adviezen of bezwaren en opmerkingen die werden uitgebracht tijdens het onderzoek. In het tweede geval, behalve wanneer het slechts kleine wijzigingen betreft die geen noemenswaardige impact zullen hebben op het leefmilieu, wordt het gewijzigde ontwerp, desgevallend samen met een aanvulling op het milieueffectenrapport, opnieuw onderworpen aan de onderzoekshandelingen, overeenkomstig artikel 25, §§ 4 en volgende. Wanneer bovendien het ontwerpplan was vrijgesteld van het milieueffectenrapport overeenkomstig artikel 27, § 3 : - kunnen de in het ontwerp aangebrachte wijzigingen hetzij een noemenswaardige impact hebben op het leefmilieu en moet het gewijzigde ontwerp het voorwerp uitmaken van een milieueffectenrapport; - kunnen de in het ontwerp aangebrachte wijzigingen hetzij geen aanzienlijke impact hebben op het leefmilieu en moet in het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan uitdrukkelijk worden aangegeven waarom het geen aanzienlijke impact zal hebben. Het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan geeft in zijn motivatie een samenvatting van : - de manier waarop de milieubeschouwingen werden opgenomen in het plan; - de manier waarop het milieueffectenrapport, wanneer dit vereist is, en de adviezen, bezwaren en opmerkingen uitgebracht tijdens de procedure, in aanmerking werden genomen; - de redenen voor de keuzes van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de andere beoogde redelijke oplossingen. Wanneer het plan niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieueffectenrapport, neemt het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan de in artikel 27, § 3 met redenen omklede beslissing over § 2 Het besluit van de Regering houdende goedkeuring van het plan wordt, samen met het advies van de Gewestelijke Commissie, in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en preciseert de in artikel 30 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten. Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Binnen drie dagen na deze bekendmaking ligt het volledige plan , desgevallend samen met het milieueffectenrapport, ter beschikking van de bevolking op het internet en in elk gemeentehuis. Binnen dezelfde termijn wordt het plan overgemaakt aan de Gewestelijke Commissie en aan de in de uitwerkingsprocedure van het ontwerpplan geraadpleegde besturen. (56)
| |
239
|
Art. 27.§ 1. De Regering beslist over de wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan bij een met redenen omkleed besluit. De wijzigingsprocedure is onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 25 en 26. Wanneer de noodzaak om het gewestelijk bestemmingsplan te wijzigen, ingeschreven staat in een gewestelijk ontwikkelingsplan of in de wijziging van dat plan, moet het ontwerpplan tot wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan worden goedgekeurd binnen twaalf maanden na de goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan of van de wijziging van dat plan § 2. Evenwel, onder voorbehoud van het volgende lid, wanneer zij meent, rekening houdend met de in bijlage D van dit Wetboek opgesomde criteria, dat de geplande wijziging niet van die aard is dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kan hebben, kan de Regering, overeenkomstig de procedure die is vastgelegd in § 3, beslissen dat het ontwerp van wijziging van het gewestelijke bestemmingsplan niet aan een milieueffectenrapport onderworpen moet worden. Er moet een milieueffectenrapport gemaakt worden voor een ontwerp van wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan wanneer dit ontwerp rechtstreeks betrekking heeft op een of meer gebieden : - die zijn aangeduid overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; - waarin vestigingen kunnen komen die een risico van zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG van de Raad, of die voorzien in de inschrijving, in de nabijheid van dergelijke vestigingen of van gebieden waarin ze zijn toegelaten, van gebieden die bestemd zijn voor huisvesting of voor bezoek door het publiek, die een bijzonder natuurlijk belang inhouden of die verbindingswegen omvatten § 3. Wanneer de Regering a priori meent, overeenkomstig § 2, eerste lid, dat het ontwerp van wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan geen noemenswaardige weerslag op het milieu kan hebben, vraagt zij het advies van de Gewestelijke Commissie en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer omtrent het ontbreken van een noemenswaardige weerslag van het ontwerp van wijziging. Ter staving van de adviesaanvraag wordt een dossier bijgevoegd dat minstens de memorie van toelichting, de richtlijnen van het ontwerp van wijziging en de elementen van de bestaande toestand die het ontwerp wil wijzigen, bevat. De adviezen worden naar de Regering gestuurd binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht in aanmerking moet worden genomen. Na inzage van de uitgebrachte adviezen besluit de Regering, in een met redenen omklede beslissing, of de geplande wijziging al dan niet het voorwerp moet uitmaken van een milieueffectenrapport
| |
240
|
Art. 28.Alle bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan hebben bindende kracht en verordenende waarde. Het blijft van kracht tot wanneer het gedeeltelijk of geheel gewijzigd wordt. (60)
| |
241
|
Art. 29. De bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan kunnen beperkingen op het gebruik van de eigendom inhouden, met inbegrip van bouwverbod. (62)
| |
242
|
Art. 30.De Regering duidt de gemachtigde ambtenaren van het bestuur belast met territoriale planning aan die haar om de vijf jaar na de goedkeuring van het plan, een verslag voorleggen over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van het gewestelijk bestemmingsplan op het milieu om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en van de eventueel aan te brengen correcturen. Deze verslagen worden op het bureau van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement neergelegd en zijn het voorwerp van een voor het publiek toegankelijke publicatie , met name op de website van het Gewest. (64)
| |
243
|
Art. 30/1. De Regering kan, voor een deel van het grondgebied van het Gewest, een richtplan van aanleg goedkeuren
| |
244
|
Art. 30/2. Het richtplan van aanleg gaat uit van de richtsnoeren van het gewestelijk ontwikkelingsplan dat van kracht is op de dag dat het wordt goedgekeurd en geeft de grote principes aan voor de inrichting of herinrichting van het grondgebied waarop het betrekking heeft, met name op het vlak van : - programmering van de bestemmingen; - structurering van de wegen, de openbare ruimten en het landschap; - kenmerken van de constructies; - bescherming van het erfgoed; - mobiliteit en parkeren
| |
245
|
Art. 30/3. § 1. De Regering maakt het ontwerp van richtplan van aanleg op, evenals, onder voorbehoud van § 2, het milieueffectenrapport. Vooraleer de Regering het ontwerp van richtplan van aanleg goedkeurt, organiseert het bestuur dat belast is met territoriale planning voor het betrokken publiek de nodige voorlichtings- en participatiemomenten. De Regering legt de regels voor de toepassing van dit artikel vast. § 2. Onder voorbehoud van het hierna volgende lid kan de Regering, indien zij op basis van de criteria genoemd in bijlage D van onderhavig Wetboek meent dat het ontwerp van richtplan van aanleg niet van die aard is dat het noemenswaardige gevolgen kan hebben voor het leefmilieu, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 30/4 beslissen dat het ontwerp van richtplan van aanleg niet moet worden onderworpen aan een milieueffectenrapport. Moet wel worden onderworpen aan een milieueffectenrapport, het ontwerp van richtplan van aanleg dat rechtstreeks betrekking heeft op een of meerdere gebieden : - die zijn aangeduid overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora; - waarin vestigingen kunnen komen die een risico van zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG van de Raad, of die de inschrijving voorzien van gebieden die voor huisvesting bestemd zijn, door het publiek worden bezocht en een bijzonder natuurlijk belang inhouden, of die verbindingswegen omvatten en die in de nabijheid zijn gelegen van dergelijke vestigingen of van gebieden waar ze zijn toegelaten
| |
246
|
Art. 30/4. Wanneer de Regering a priori meent, overeenkomstig artikel 30/3, § 2, eerste lid, dat het ontwerp van richtplan van aanleg niet van dien aard is dat het noemenswaardige gevolgen kan hebben voor het leefmilieu, vraagt zij het advies van de Gewestelijke Commissie en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer over het ontbreken van aanzienlijke effecten van het ontwerp van richtplan van aanleg. Ter staving van de adviesaanvraag wordt een dossier bijgevoegd dat minstens de memorie van toelichting bevat, alsook de richtlijnen van het project en de elementen van de bestaande toestand die het project wil wijzigen. De adviezen worden binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag naar de Regering gestuurd. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht in aanmerking moet worden genomen. In het licht van de uitgebrachte adviezen, bepaalt de Regering in een met redenen omklede beslissing of het ontwerp van richtplan al dan niet moet worden onderworpen aan een milieueffectenrapport
| |
247
|
Art. 30/5. § 1. De Regering onderwerpt het ontwerp- plan en het milieueffectenrapport of, in voorkomend geval, de documenten, adviezen en beslissing bedoeld in artikel 30/4 gelijktijdig aan de in het tweede lid bedoelde adviezen en aan het openbaar onderzoek. De door de Regering gevraagde adviezen worden aan haar overgemaakt binnen de hierna volgende termijn, bij ontstentenis waarvan de procedure wordt voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht in aanmerking moet worden genomen : - dertig dagen voor het bestuur belast met territoriale planning, het Brussels Instituut voor Milieubeheer, de Economische en Sociale Raad, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, de Raad voor het Leefmilieu, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Adviesraad voor Huisvesting en de andere raadgevende instanties waarvan de Regering de lijst kan opstellen; - vijfenveertig dagen voor de gemeenteraden; - als deze termijn een aanvang neemt tijdens de zomervakantie, wordt ze verlengd met dertig dagen. Het openbaar onderzoek duurt zestig dagen. Het voorwerp en de begin- en de einddatum worden aangekondigd, volgens de modaliteiten die zijn vastgesteld door de Regering : - door aanplakbiljetten in elke gemeente van het Gewest die betrokken is bij het ontwerp van richtplan van aanleg; - door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in verschillende Franstalige en Nederlandstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid; - op de website van het Gewest. Het ontwerp van richtplan van aanleg en het milieueffectenrapport of, in voorkomend geval, de documenten, adviezen en beslissing bedoeld in artikel 30/4, worden tijdens de duur van het onderzoek ter inzage van de bevolking neergelegd in het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest die betrokken is bij het ontwerp van richtplan van aanleg. Ze worden ook ter beschikking gesteld op het internet. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de indiening en verzending, binnen de termijn van het onderzoek, van de bezwaren en opmerkingen, overeenkomstig de principes die zijn vastgesteld in artikel 6. § 2. De Regering legt aan de Gewestelijke Commissie het ontwerp van richtplan van aanleg en het milieueffectenrapport voor, of desgevallend, de documenten, de adviezen en de beslissing bedoeld in artikel 30/4, samen met de adviezen en de bezwaren en opmerkingen bedoeld in § 1. Binnen de zestig dagen na ontvangst van het volledige dossier, geeft de Gewestelijke Commissie haar advies aan de Regering, bij ontstentenis waarvan de procedure wordt voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht in aanmerking moet worden genomen. Minstens de helft van de termijn van zestig dagen bevindt zich buiten de schoolvakantieperiodes. In de veronderstelling dat de Gewestelijke Commissie op het moment dat ze haar advies moet geven, niet meer geldig is samengesteld omdat haar leden niet zijn benoemd binnen de in artikel 7 voorgeschreven termijn, begint de termijn van zestig dagen te lopen vanaf de datum waarop haar leden benoemd zijn. De Regering deelt aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een afschrift van het advies van de Gewestelijke Commissie mee, evenals een afschrift van de adviezen, bezwaren en opmerkingen gemaakt binnen vijftien dagen vanaf de ontvangst van het advies van de Gewestelijke Commissie. § 3. Indien het ontwerp van richtplan van aanleg van dien aard is dat het noemenswaardige gevolgen kan hebben voor het leefmilieu van een ander Gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, worden het ontwerp van richtplan van aanleg en het milieueffectenrapport overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit ander Gewest, deze andere lidstaat van de Europese Unie of deze andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo. De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten; 2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van het Gewest of de staat die kunnen worden getroffen mogen deelnemen aan de beoordeling van de milieueffecten; 3° de modaliteiten volgens welke het ontwerp, de adviezen van besturen en instellingen bedoeld in de §§ 1 en 2 en de afhandelingsmodaliteiten bepaald in artikel 30/11 worden meegedeeld aan de in het voorgaande lid bedoelde autoriteiten
| |
248
|
Art. 30/6. Na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek en van de uitgebrachte adviezen, kan de Regering binnen zestig dagen na de ontvangst van het advies van de Gewestelijke Commissie of de vervaldag van de haar toebedeelde termijn voor het uitbrengen van dit advies, hetzij het richtplan van aanleg definitief goedkeuren, hetzij beslissen om het te wijzigen. In het eerste geval omkleedt zij haar beslissing met redenen op elk punt waarop zij afwijkt van de adviezen of bezwaren en opmerkingen die werden uitgebracht tijdens het onderzoek. In het tweede geval, behalve wanneer de wijzigingen van ondergeschikt belang zijn en niet van dien aard dat ze noemenswaardige gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu, wordt het gewijzigde ontwerp opnieuw voorgelegd voor onderzoek, overeenkomstig artikel 30/5. Bovendien, wanneer het ontwerp van richtplan van aanleg was vrijgesteld van het milieueffectenrapport overeenkomstig artikel 30/4 : - zijn de wijzigingen hetzij van die aard dat ze noemenswaardige gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu en moet het gewijzigde ontwerp worden onderworpen aan een milieueffectenrapport; - zijn de wijzigingen hetzij niet van die aard dat ze noemenswaardige gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu, en moet het besluit houdende definitieve goedkeuring van het richtplan van aanleg dit ontbreken van noemenswaardige gevolgen uitdrukkelijk met redenen omkleden. Het besluit houdende definitieve goedkeuring van het richtschema is, in zijn motivering, de samenvatting van : - de manier waarop de milieuoverwegingen in het plan geïntegreerd werden; - de manier waarop het milieueffectenrapport, wanneer dit vereist is, evenals de tijdens de procedure uitgebrachte adviezen, bezwaren en opmerkingen in overweging werden genomen; - de redenen die hebben geleid tot de keuze van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de overwogen andere redelijke oplossingen. Wanneer het richtplan van aanleg niet was onderworpen aan een milieueffectenrapport, neemt het besluit houdende definitieve goedkeuring van het plan de in artikel 30/4 bedoelde met redenen omklede beslissing over
| |
249
|
Art. 30/7. Het besluit van de Regering houdende definitieve goedkeuring van het richtplan van aanleg, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, waarbij tevens het advies van de Gewestelijke Commissie wordt afgedrukt en de in artikel 30/11 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten van het plan gepreciseerd worden. Het richtplan van aanleg treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Het volledige richtplan van aanleg, in voorkomend geval vergezeld van het milieueffectenrapport : - wordt ter beschikking gesteld van het publiek op de website van het Gewest en in het gemeentehuis van de betrokken gemeenten, en dit binnen drie dagen na deze bekendmaking; - wordt overgemaakt aan de in de procedure geraadpleegde instanties en besturen. De terbeschikkingstelling aan het publiek en het overmaken aan de in het voorgaande lid bedoelde autoriteiten, preciseren de in artikel 30/11 bedoelde afhandelingsmodaliteiten
| |
250
|
Art. 30/8. De bepalingen tot regeling van de uitwerking van het richtplan van aanleg, zijn van toepassing op de wijziging en op de opheffing ervan
| |
251
|
Art. 30/9. § 1. Het richtplan van aanleg heeft een indicatieve waarde, met uitzondering van de bepalingen waaraan de Regering bindende kracht en verordenende waarde verleent binnen de perimeter(s) die ze bepaalt in het richtplan van aanleg. Wanneer de Regering uitdrukkelijk bindende en verordenende waarde verleent aan grafische bepalingen die de inplanting van een aan te leggen of te verlengen verbindingsweg aangeven, stelt het geldende richtplan van aanleg de operatie van de verdeling van het terrein die wordt uitgevoerd volgens deze grafische bepalingen, vrij van een verkavelingsvergunning. § 2. De verordenende bepalingen van het richtplan van aanleg heffen, binnen de perimeter(s) waar ze van toepassing zijn, de bepalingen op van het gewestelijk bestemmingsplan, het bijzonder bestemmingsplan en de stedenbouwkundige verordening, evenals de verordenende bepalingen van de gewestelijke en gemeentelijke mobiliteitsplannen en van de verkavelingsvergunningen, die ermee in tegenspraak zijn. Onverminderd het voorgaande lid, stelt de goedkeuring van het verordenende luik van het richtplan van aanleg de autoriteiten vrij van goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan wanneer dit vereist is. § 3. Het richtplan van aanleg blijft van kracht tot wanneer het geheel of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven wordt
| |
252
|
Art. 30/10. De verordenende voorschriften van het richtplan van aanleg kunnen beperkingen op het gebruik van de eigendom inhouden, met inbegrip van bouwverbod
| |
253
|
Art. 30/11. De Regering duidt de ambtenaren van het bestuur belast met territoriale planning aan die haar, binnen de in artikel 30 gestelde termijn, een verslag voorleggen over de follow-up van de noemenswaardige gevolgen van de uitvoering van het richtplan van aanleg op het leefmilieu, teneinde met name in een vroegtijdig stadium de onvoorziene negatieve gevolgen en de eventuele corrigerende maatregelen te identificeren. Dit verslag wordt ingediend op het bureau van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en maakt het voorwerp uit van een voor het publiek toegankelijke publicatie, met name op de website van het Gewest
| |
254
|
Art. 31.Elke gemeente van het Gewest kan een gemeentelijk ontwikkelingsplan vaststellen dat van toepassing is op haar volledig grondgebied. Binnen zes maanden die volgen op de maand van de installatie van de gemeenteraad legt het college van burgemeester en schepenen een rapport over het nut van het overgaan tot een eventuele volledige of gedeeltelijke wijziging van het gemeentelijk ontwikkelingsplan voor aan de gemeenteraad. (66)
| |
255
|
Art. 32.Het gemeentelijk ontwikkelingsplan kadert, met inachtneming van het gewestelijk bestemmingsplan en de verordenende bepalingen van de richtplannen van aanleg, in de oriëntaties van het gewestelijk ontwikkelingsplan en de indicatieve bepalingen van de richtplannen van aanleg en vormt een globaal instrument voor de planning van de gemeentelijke ontwikkeling in het kader van de duurzame ontwikkeling. Het bepaalt : 1° de algemene en sectorale doelstellingen evenals de ontwikkelingsprioriteiten, met inbegrip van die inzake ruimtelijke ordening, vereist door de economische, sociale, culturele behoeften en die inzake mobiliteit, toegankelijkheid en milieu; 2° de transversaal en sectoraal in te zetten middelen om de alzo gedefinieerde doelstellingen en prioriteiten te bereiken, met name door de kaartsgewijze uitdrukking van sommige van die maatregelen; 3° de vaststelling van de prioritaire interventiegebieden van het gemeente; 4° in voorkomend geval de aan de door de gemeente uitgewerkte normatieve bepalingen, plannen en programma's in functie van de alzo gepreciseerde doelstellingen en middelen, aan te brengen wijzigingen. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel. (68)
| |
256
|
Art. 33 § 1. Het college van burgemeester en schepenen ontwerpt het gemeentelijk ontwikkelingsplan en maakt een milieueffectenrapport op. § 2. Op verzoek van het college van de burgemeester en schepenen en binnen de door hem vastgestelde termijn, brengt elk gewestelijk en gemeentelijk bestuur en elke gewestelijke en gemeentelijke instelling van openbaar nut die elementen naar voren die tot zijn bevoegdheden behoren. Het college van burgemeester en schepenen brengt de Gewestelijke Commissie regelmatig op de hoogte van de evolutie van de voorafgaande studies en deelt haar de resultaten ervan mee. De Gewestelijke Commissie kan op elk ogenblik opmerkingen maken of suggesties voordragen die zij nuttig acht
| |
257
|
Art. 34.§ 1. . § 2. . § 3. De gemeenteraad belast het college van burgemeester en schepenen ermee om het ontwerpplan en het milieueffectenrapport of, desgevallend, de in artikel 37, § 4, bedoelde documenten, adviezen en beslissingen, te onderwerpen aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt vijfenveertig dagen. Het voorwerp en de begin- en de einddatum worden aangekondigd, volgens de modaliteiten die zijn vastgesteld door de Regering : - via aanplakbiljetten; - via een bericht in het Belgisch Staatsblad en in verschillende Franstalige en Nederlandstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid; - op de website van de gemeente. Het ontwerpplan en het milieueffectenrapport worden, tijdens de duur van het onderzoek, in het gemeentehuis ter inzage gelegd van de bevolking. Ze worden ook ter beschikking gesteld op het internet. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de indiening en verzending, binnen de termijn van het onderzoek, van de bezwaren en opmerkingen, overeenkomstig de principes die zijn vastgesteld in artikel 6. De bezwaren en opmerkingen worden binnen de termijn van het onderzoek naar het college van burgemeester en schepenen gestuurd en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college van burgemeester en schepenen opgemaakt binnen vijftien dagen na de afsluiting van het onderzoek
| |
258
|
Art. 35.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen legt, gelijktijdig met het onderzoek, het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport of, desgevallend, de in artikel 37, § 4, bedoelde documenten, adviezen en beslissingen voor advies voor aan het bestuur belast met territoriale planning en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer , de Economische en Sociale Raad, de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen, de Raad voor het Leefmilieu, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Adviesraad voor Huisvesting en aan de besturen en de instanties waarvan de Regering de lijst bepaalt. De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de aanvraag van het college van burgemeester en schepenen. Eens de termijn vervallen wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht in aanmerking moet worden genomen § 2. Het ontwerp-plan, vergezeld van het milieu-effectenrapport of, desgevallend, de in artikel 37, § 4, bedoelde documenten, beslissingen en adviezen, wordt samen met de bezwaren, opmerkingen overgemaakt aan de Gewestelijke Commissie. . . De Gewestelijke Commissie brengt advies uit binnen negentig dagen na ontvangst van het volledig dossier, bij ontstentenis waarvan de procedure wordt voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht nog in aanmerking moet worden genomen. Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen, zij niet geldig is samengesteld bij gebreke van aanwijzing van haar leden binnen de onder artikel 7 voorgeschreven termijn, gaat de termijn van negentig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden. Ten minste de helft van de termijn van negentig dagen valt buiten de perioden van de schoolvakanties. § 3. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, wordt het ontwerp-plan, samen met het milieueffectenrapport en de eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten of, desgevallend, de in artikel 37, § 4, bedoelde documenten, adviezen en beslissingen overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit Gewest, van deze andere lid-Staat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo. De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten; 2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten; 3° de modaliteiten volgens welke het plan, de onder de paragrafen 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitgebrachte adviezen en de in artikel 39 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten aan de onder het voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt. § 4. Binnen zestig dagen vanaf de ontvangst van het advies van de Gewestelijke Commissie of vanaf de vervaldag van de aan deze Commissie toebedeelde termijn om haar advies uit te brengen, kan de gemeenteraad na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek en van de uitgebrachte adviezen, het plan hetzij definitief goedkeuren, hetzij wijzigen. In het eerste geval motiveert ze haar beslissing op elk punt waarin ze afwijkt van de adviezen of bezwaren en opmerkingen die werden uitgebracht tijdens het onderzoek. In het tweede geval, behalve wanneer het slechts kleine wijzigingen betreft die geen aanzienlijke impact zullen hebben op het leefmilieu, wordt het gewijzigde ontwerp, desgevallend samen met een aanvulling op het milieueffectenrapport, opnieuw onderworpen aan de onderzoekshandelingen, overeenkomstig de artikelen 34 en 35. Wanneer bovendien het ontwerpplan was vrijgesteld van het milieueffectenrapport overeenkomstig artikel 37, § 4 : - kunnen de in het ontwerp aangebrachte wijzigingen hetzij een aanzienlijke impact hebben op het leefmilieu en moet het gewijzigde ontwerp het voorwerp uitmaken van een milieueffectenrapport; - kunnen de in het ontwerp aangebrachte wijzigingen hetzij geen aanzienlijke impact hebben op het leefmilieu en moet in het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan uitdrukkelijk worden aangegeven waarom het geen aanzienlijke impact zal hebben. Het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan geeft in zijn motivatie een bondige samenvatting van : - de manier waarop de milieubeschouwingen werden opgenomen in het plan; - de manier waarop het milieueffectenrapport, wanneer dit vereist is, en de adviezen, bezwaren en opmerkingen uitgebracht tijdens de procedure, in aanmerking werden genomen; - de redenen voor de keuzes van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de andere beoogde redelijke oplossingen. Wanneer het plan niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieueffectenrapport, neemt het besluit tot definitieve goedkeuring van het plan de in artikel 37, § 4 met redenen omklede beslissing over
| |
259
|
Art. 36.Het gemeentelijk ontwikkelingsplan wordt goedgekeurd door de Regering. De Regering verleent haar goedkeuring binnen twee maanden na ontvangst van het volledig dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met twee maanden worden verlengd. Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijnen kan het college van burgemeester en schepenen bij een ter post aangetekende brief een aanmaning aan de Regering toezenden. Indien het college van burgemeester en schepenen na het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang van de afgifte bij de post van de aangetekende brief met de aanmaning, geen kennisgeving van de beslissing van de Regering heeft ontvangen, wordt het plan geacht goedgekeurd te zijn. Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed. Het besluit van de Regering houdende goedkeuring van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Het volledig plan wordt, desgevallend samen met het milieueffectenrapport, ter beschikking gesteld van de bevolking op het internet en in het gemeentehuis. Binnen diezelfde termijn wordt het volledig plan aan de Gewestelijke Commissie en aan de in de uitwerkingsprocedure van het ontwerpplan geraadpleegde instanties en besturen overgemaakt. Het ter beschikking stellen aan het publiek en het overmaken van de plannen aan de in het voorgaand lid bedoelde overheden preciseren de in artikel 39 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten. (76)
| |
260
|
Art. 37.§ 1. De gemeenteraad wijzigt het gemeentelijk ontwikkelingsplan ofwel op eigen initiatief, mits toelating van de Regering, ofwel op een met redenen omkleed verzoek van deze laatste. § 2. De wijzigingsprocedure wordt aan de bepalingen van de artikelen 33 tot 36 onderworpen. § 3. Onder voorbehoud van het hierna volgende lid kan de gemeenteraad, indien hij op basis van de criteria genoemd in bijlage D van onderhavig Wetboek meent dat de geplande wijziging niet van die aard is dat ze noemenswaardige gevolgen kan hebben voor het leefmilieu, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel § 4 beslissen dat het ontwerp tot wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan niet moet worden onderworpen aan een milieueffectenrapport. Moet wel worden onderworpen aan een milieueffectenrapport, het ontwerp tot wijziging van het gemeentelijk ontwikkelingsplan wanneer dit ontwerp rechtstreeks betrekking heeft op een of meerdere gebieden : - die zijn aangeduid overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora; - waarin vestigingen kunnen komen die een risico van zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG van de Raad, of die de inschrijving voorzien van gebieden die voor huisvesting bestemd zijn, door het publiek worden bezocht en een bijzonder natuurlijk belang inhouden, of die verbindingswegen omvatten en die in de nabijheid zijn gelegen van dergelijke vestigingen of van gebieden waar ze zijn toegelaten § 4. Wanneer de gemeenteraad a priori meent, overeenkomstig § 3, eerste lid, dat het ontwerp tot wijziging van het gemeentelijk ontwikkelingsplan niet van dien aard is dat het noemenswaardige gevolgen kan hebben voor het leefmilieu, vraagt het college van burgemeester en schepenen het advies van de Gewestelijke Commissie, van het bestuur belast met territoriale planning en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer over het ontbreken van aanzienlijke effecten van het ontwerp tot wijziging. Ter staving van de adviesaanvraag wordt een dossier bijgevoegd dat minstens de memorie van toelichting bevat, alsook de richtlijnen van het ontwerp tot wijziging en de elementen van de bestaande toestand die het project wil wijzigen. De adviezen worden binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag naar het college van burgemeester en schepenen gestuurd. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd overgemaakt in aanmerking moet worden genomen. In het licht van de uitgebrachte adviezen, bepaalt de gemeenteraad in een met redenen omklede beslissing of de geplande wijziging al dan niet moet worden onderworpen aan een milieueffectenrapport
| |
261
|
Art. 38. Het plan is indicatief in alle bepalingen ervan Het bijzonder bestemmingsplan mag er slechts van afwijken als de redenen hiervoor uitdrukkelijk worden vermeld. Het toekennen van hulp aan natuurlijke dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen mag slechts gebeuren in naleving van de bepalingen van het plan . Vierde lid afgeschaft (82)
| |
262
|
Art. 39.Het college van burgemeester en schepenen legt een rapport over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van het gemeentelijk ontwikkelingsplan op het milieu voor aan de gemeenteraad om de vijf jaar vanaf de goedkeuring van het plan om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en over de eventueel aan te brengen correcturen. Het publiek wordt op de hoogte gebracht volgens de modaliteiten voorzien in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet. (84)
| |
263
|
Art. 40 Elke gemeente van het Gewest neemt, hetzij op initiatief van de gemeenteraad, hetzij binnen de omstandigheden voorzien in afdeling IIIbis of VI, bijzondere bestemmingsplannen aan. Elke beslissing tot opening van de goedkeuringsprocedure van een bijzonder bestemmingsplan, wordt formeel met redenen omkleed
| |
264
|
Art. 41 § 1. Het bijzonder bestemmingsplan geeft, door ze aan te vullen, een nadere omschrijving van het gewestelijk bestemmingsplan en van de verordenende bepalingen van het richtplan van aanleg en gaat uit van de richtsnoeren van de indicatieve bepalingen van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, en dit voor het deel van het gemeentelijk grondgebied dat het bestrijkt. Het vermeldt : 1° de bestaande feitelijke en rechtstoestand betreffende de elementen bedoeld in het voorgaande lid en de elementen bedoeld in het volgende lid dat het plan wil reglementeren; 2° de bestemming van de verschillende gebieden en de voorschriften die erop betrekking hebben. Bovendien kan het voorschriften bevatten betreffende het geheel of een deel van de volgende elementen : 1° het tracé en de maatregelen van aanleg van de verkeerswegen; 2° de plaatsing en de omvang van de bouwwerken; 3° de esthetische aard van de bouwwerken en hun omgeving, met inbegrip van hun landschappelijke en erfgoedkundige kwaliteiten, onverminderd de bepalingen van titel V van onderhavig Wetboek; 4° de regels betreffende de inrichting, bouw en renovatie bedoeld om de milieubalans van de beoogde perimeter te verbeteren; 5° de toegelaten huisvestingscategorieën, overeenkomstig de bepalingen bekrachtigd in de wetgeving en de gewestelijke verordeningen inzake huisvesting. § 2. Het plan mag vergezeld zijn van operationele maatregelen betreffende het beheer en de modaliteiten van de uitvoering ervan, zoals bijvoorbeeld : 1° een onteigeningsplan; 2° een voorkoopperimeter; 3° een rooiplan; 4° een fasering van de toepasbaarheid van bepaalde voorschriften; 5° een mechanisme van stimuli of premies; 6° een uitvoeringsplan. § 3. Het plan kan de voor zijn realisatie noodzakelijke omstandigheden, de omvang en de bestemming van de stedenbouwkundige lasten bepalen overeenkomstig de artikelen 100 en 112. § 4. Bij het plan wordt een memorie van toelichting, zonder verordenende waarde gevoegd, evenals in voorkomend geval : - het milieueffectenrapport; - een bijlage die indien nodig de bepalingen vermeldt die krachtens artikel 64/1 afwijken van het gewestelijk bestemmingsplan of van het richtplan van aanleg; - een bijlage met de gecoördineerde grafische en woordelijke voorschriften van het plan, indien dit wordt gewijzigd of indien de in artikel 62 bedoelde bijzondere opheffingsprocedure wordt uitgevoerd. § 5. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel bepalen
| |
265
|
Art. 43 Het college van burgemeester en schepenen maakt het ontwerp van bijzonder bestemmingsplan op evenals, wanneer dit vereist is, het milieueffectenrapport
| |
266
|
Art. 44 § 1. Vóór de uitwerking van het bijzonder bestemmingsplan, maakt het college van burgemeester en schepenen aan het bestuur belast met territoriale planning en het Brussels Instituut voor Milieubeheer een dossier over dat minstens de in artikel 40, tweede lid bedoelde motivatie bevat, alsook de richtlijnen van het ontwerp en de elementen van de bestaande toestand die het ontwerp wil wijzigen. De Regering kan de inhoud van dit dossier bepalen. § 2. Het bestuur belast met territoriale planning brengt zijn advies over de opportuniteit om een bijzonder bestemmingsplan goed te keuren uit binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd overgemaakt in aanmerking moet worden genomen. § 3. Het Brussels Instituut voor Milieubeheer beslist of het ontwerp van bijzonder bestemmingsplan al dan niet moet worden onderworpen aan een milieueffectenrapport binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis moet het ontwerp worden onderworpen aan een milieueffectenrapport. § 4. Om te beoordelen of het geplande bijzonder bestemmingsplan al dan niet moet worden onderworpen aan een milieueffectenrapport, baseert het Brussels Instituut voor Milieubeheer zich op de criteria genoemd in bijlage D van onderhavig Wetboek. Moet steeds onderworpen worden aan een milieueffectenrapport, het ontwerp van bijzonder bestemmingsplan dat rechtstreeks betrekking heeft op een of meer gebieden die : - aangeduid zijn overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora; - waarin vestigingen kunnen komen die een belangrijk risico kunnen inhouden voor personen, goederen of het milieu in de zin van de richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren verbonden aan de zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, of in de zin van richtlijn 96/82/EG van de Raad, of die de inschrijving voorzien van gebieden die voor huisvesting bestemd zijn, door het publiek worden bezocht en een bijzonder natuurlijk belang inhouden, of die verbindingswegen omvatten en die in de nabijheid zijn gelegen van dergelijke vestigingen of van gebieden waar ze zijn toegelaten
| |
267
|
Art. 46.§ 1. Wanneer het ontwerp van bijzonder bestemmingsplan is onderworpen aan een milieueffectenrapport, wordt een begeleidingscomité ermee belast de uitwerkingsprocedure van het bijzonder bestemmingsplan en van het milieueffectenrapport op te volgen. In het begeleidingscomité zetelen minstens één vertegenwoordiger van de gemeente, één vertegenwoordiger van het Brussels Instituut voor Milieubeheer en één vertegenwoordiger van het bestuur belast met territoriale planning. De Regering bepaalt de werking van het begeleidingscomité, alsook de onverenigbaarheidsregels en voorziet dat het begeleidingscomité wordt voorgezeten en het sociaal secretariaat ervan wordt verzorgd door een vertegenwoordiger van de gemeente § 2. § 3. § 4. § 5. Het college van burgemeester en schepenen brengt het begeleidingscomité geregeld op de hoogte van de evolutie van het ontwerpplan en van het milieu-effectenrapport. Hij geeft antwoord op de vragen en opmerkingen van het begeleidingscomité. (104)
| |
268
|
Art. 47.§ 1. Wanneer het college van burgemeester en schepenen van oordeel is dat het milieu-effectenrapport volledig is, maakt het het ontwerp-plan, samen met het effectenrapport over aan het begeleidingscomité. § 2. Wanneer het begeleidingscomité van oordeel is dat het milieueffectenrapport volledig is, moet het binnen dertig dagen na ontvangst van het ontwerpplan en van bedoelde studie : 1° het milieueffectenrapport sluiten; 2° de lijst vastleggen van de bij de effecten van het vooropgestelde plan betrokken gemeenten van het Gewest, van de andere Gewesten en van de lidstaten van de Europese Unie of van de andere Staten-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband; 3° zijn beslissing aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis brengen. Indien het begeleidingscomité beslist dat het milieueffectenrapport niet volledig is, deelt het binnen dezelfde termijn aan het college van burgemeester en schepenen mede welke aanvullende elementen gerealiseerd moeten worden of welke wijzigingen moeten worden aangebracht en verantwoordt het zijn beslissing. In dit geval deelt het aan het college van burgemeester en schepenen mede binnen welke termijn deze hem toegezonden moeten worden. Indien het begeleidingscomité de termijn bedoeld in het tweede en in het derde lid niet in acht neemt, kan het college van burgemeester en schepenen zijn dossier bij de Regering aanhangig maken. Deze mogelijkheid wordt hem eveneens geboden wanneer het begeleidingscomité verklaart dat het milieu-effectenrapport onvolledig is. De Regering treedt in de plaats van het begeleidingscomité. De Regering deelt haar beslissing mede binnen dertig dagen na de aanhangigmaking. Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de termijn voorzien in het vorige lid, kan de gemeenteraad in de plaats treden van het begeleidingscomité(106)
| |
269
|
Art. 48.§ 1. . § 2. De gemeenteraad geeft het college van burgemeester en schepenen de opdracht om het ontwerpplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen, samen met het milieueffectenrapport indien dit vereist is, en de documenten, adviezen en beslissing bedoeld in artikel 44 die deel uitmaken van het dossier. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen. Het voorwerp en de begin- en de einddatum worden aangekondigd, volgens de modaliteiten die zijn vastgesteld door de Regering : - via aanplakbiljetten; - door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in verschillende Franstalige en Nederlandstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid; - op de website van de gemeente. De documenten bedoeld in het eerste lid worden, tijdens de duur van het onderzoek, ter inzage van de bevolking neergelegd in het gemeentehuis. Ze worden ook ter beschikking gesteld op het internet. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de indiening en verzending, binnen de termijn van het onderzoek, van de bezwaren en opmerkingen, overeenkomstig de principes die zijn vastgesteld in artikel 6. De bezwaren en opmerkingen worden binnen de termijn van het onderzoek naar het college van burgemeester en schepenen gestuurd en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college van burgemeester en schepenen opgemaakt binnen vijftien dagen na de afsluiting van het onderzoek § 3. Het college van burgemeester en schepenen legt, gelijktijdig met het onderzoek, de documenten bedoeld in § 2, eerste lid, voor advies voor aan het bestuur belast met territoriale planning en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer en aan de besturen en de instanties waarvan de Regering de lijst opmaakt. De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de ontvangst na de aanvraag van het college van burgemeester en schepenen. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd overgemaakt in aanmerking moet worden genomen. Wanneer het ontwerpplan bepalingen bevat die afwijken van het gewestelijk bestemmingsplan, is het advies van de Economische en Sociale Raad, de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen, de Raad voor het Leefmilieu, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie en de Adviesraad voor Huisvesting vereist overeenkomstig het eerste lid § 4. Daarenboven, wanneer het begeleidingscomité of de Regering bepaald heeft dat andere gemeenten bij de effecten van het vooropgestelde plan betrokken zijn, onderwerpt het college van burgemeester en schepenen van deze gemeenten de documenten bedoeld in § 2, eerste lid, aan een openbaar onderzoek van dertig dagen. De Regering stelt de datum vast waarop de openbare onderzoeken ten laatste dienen gesloten te zijn. § 5. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, worden de documenten bedoeld in § 2, eerste lid overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit andere Gewest, van deze andere lidstaat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo. De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten; 2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten; 3° de modaliteiten volgens welke het plan, de in § 3 en in artikel 49, derde en vierde lid, bedoelde uitgebrachte adviezen over het ontwerpplan en de in artikel 68 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten aan de onder voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt. (108)
| |
270
|
Art. 49 De documenten bedoeld in artikel 48, § 2, eerste lid, worden, samen met de adviezen, de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek, binnen vijftien dagen na sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd. . Tweede lid opgeheven Wanneer het begeleidingscomité of de Regering heeft bepaald dat andere gemeenten bij de effecten van de vooropgestelde aanleg betrokken zijn, zetelen ook hun vertegenwoordigers in de overlegcommissie. De overlegcommissie deelt haar advies mee binnen de zestig dagen na de afsluiting van het openbaar onderzoek. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet zonder dat enig advies dat na de termijn werd uitgebracht nog in aanmerking moet worden genomen Wanneer het ontwerp-plan bepalingen bevat die afwijken van het gewestelijk bestemmingsplan of van de verordenende bepalingen van een richtplan van aanleg, worden het volledig dossier en het advies van de overlegcommissie aan de Gewestelijke Commissie overgemaakt. Deze laatste brengt advies uit over de gepastheid van de gevraagde afwijking binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier. Bij ontstentenis wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd overgemaakt in aanmerking moet worden genomen Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen, zij niet geldig is samengesteld bij gebreke van de aanwijzing van haar leden binnen de onder artikel 7 voorgeschreven termijn, gaat de termijn van dertig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden. Ten minste de helft van de termijnen van dertig en zestig dagen valt buiten de perioden van de schoolvakanties. (110)
| |
271
|
Art. 50.§ 1. Na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek en van het advies of de adviezen, uitgebracht overeenkomstig artikel 49, derde en vierde lid, kan de gemeenteraad, binnen zestig dagen na ontvangst van het advies van de overlegcommissie of, in voorkomend geval, het advies van de Gewestelijke Commissie, hetzij het plan definitief goedkeuren, hetzij beslissen het te wijzigen. In het eerste geval omkleedt zij haar beslissing met redenen op elk punt waarop zij afwijkt van het advies of de adviezen of van de tijdens het onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen. In het tweede geval, behalve wanneer de wijziging van ondergeschikt belang is en niet van die aard is dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kan hebben, wordt het gewijzigde ontwerp opnieuw onderworpen aan de onderzoekshandelingen, overeenkomstig artikel 48. Bovendien, wanneer het ontwerpplan was vrijgesteld van het milieueffectenrapport overeenkomstig artikel 44 : - zijn de wijzigingen hetzij van dien aard dat ze noemenswaardige gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu en moet het gewijzigde ontwerp worden onderworpen aan een milieueffectenrapport; - zijn de wijzigingen hetzij niet van dien aard dat ze noemenswaardige gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu, en moet de beslissing van de gemeenteraad houdende definitieve goedkeuring van het plan dit ontbreken van noemenswaardige gevolgen uitdrukkelijk met redenen omkleden. De beslissing van de gemeenteraad houdende definitieve goedkeuring van het plan is, in haar motivering, de samenvatting van hoe de milieuoverwegingen in het plan geïntegreerd werden en hoe het milieueffectenrapport, wanneer het vereist is, en de adviezen, bezwaren en opmerkingen die werden uitgebracht tijdens de procedure in overweging werden genomen, evenals de redenen die geleid hebben tot de keuze van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de overwogen andere redelijke oplossingen. Wanneer het bijzonder bestemmingsplan niet aan een milieueffectenrapport onderworpen werd, neemt de beslissing van de gemeenteraad houdende definitieve goedkeuring van het plan de met redenen omklede beslissing van het Brussels Instituut voor Milieubeheer over die is bedoeld in artikel 44 § 2. Onverminderd de toepassing van § 2/1, wordt het bijzonder bestemmingsplan goedgekeurd door de Regering. Deze weigert haar goedkeuring wanneer het plan niet verenigbaar is met een ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan of met de bepalingen die verordenend zullen worden in een ontwerp van richtplan van aanleg. De Regering kan de goedkeuring onderwerpen aan de goedkeuring van een onteigeningsplan of van een voorkoopperimeter De Regering verleent haar goedkeuring binnen zestig dagen na ontvangst van het volledig dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met zestig dagen verlengd worden. Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijnen, kan het college van burgemeester en schepenen een herinnering bij een ter post aangetekende brief aan de Regering toezenden. Indien het college van burgemeester en schepenen na het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang van de afgifte bij de post van de aangetekende brief met de aanmaning, de beslissing van de Regering niet heeft ontvangen, wordt het plan geacht te zijn geweigerd. Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed. Het besluit houdende goedkeuring van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Het volledige plan, in voorkomend geval vergezeld van het milieueffectenrapport : - wordt ter beschikking van het publiek gesteld op het internet en in het gemeentehuis van de betrokken gemeenten, en dit binnen de drie dagen na de bekendmaking ervan; - wordt overgemaakt aan de in de procedure geraadpleegde instanties en besturen Het ter beschikking stellen voor het publiek en het overmaken van de plannen aan de in het voorgaand lid bedoelde overheden preciseren de in artikel 68 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten. § 2/1. De Regering kan, binnen de termijnen voorzien in § 2, tweede en derde lid, de gemeente opleggen om wijzigingen aan te brengen in het ontwerp van opmaak van het plan. In dat geval, voor zover de wijzigingen niet het voorwerp van het ontwerp aantasten, van bijkomstig belang zijn en tegemoetkomen aan de bezwaren die het ontwerp opriep, of wanneer ze de in artikel 64/1 bedoelde afwijkingen van het ontwerp willen opheffen, kan de Regering haar goedkeuring verlenen vanaf de ontvangst van de wijzigingen. Vanaf de ontvangst van de wijzigingen bedoeld in het vorige lid, begint een nieuwe termijn te lopen overeenkomstig de voorschriften van § 2, tweede lid en volgende. Wanneer de door de Regering opgelegde wijzigingen in strijd zijn met de in het tweede lid bedoelde voorwaarden, wordt het gewijzigde ontwerp opnieuw onderworpen aan de onderzoekshandelingen overeenkomstig artikel 48. Bovendien, wanneer het ontwerpplan was vrijgesteld van het milieueffectenrapport overeenkomstig artikel 44, vraagt de Regering het Brussels Instituut voor Milieubeheer, bij de verzending van haar beslissing aan het college van burgemeester en schepenen, of het gewijzigde ontwerp al dan niet moet worden onderworpen aan een milieueffectenrapport. Het Instituut maakt zijn beslissing aan het college van burgemeester en schepenen en aan de Regering over binnen vijftien dagen na de ontvangst van de vraag van de Regering. Bij ontstentenis moet het gewijzigde ontwerp worden onderworpen aan een milieueffectenrapport § 3. Ten minste de helft van de in dit artikel voorgeschreven termijnen valt buiten de perioden van de schoolvakanties. (112)
| |
272
|
Art. 51.Eén derde van de personen, die ten minste achttien jaar oud zijn en, eigenaar of niet, woonachtig binnen de perimeter die ze bepalen en in de belendende huizenblokken, kan de gemeenteraad verzoeken te beslissen over de opmaak van een bijzonder bestemmingsplan voor deze perimeter. De aanvraag, die bij een ter post aangetekende brief aan het college van burgemeester en schepenen wordt gericht, dient in elk geval het volgende te bevatten : 1° de opgave van de betreffende perimeter; 2° een uiteenzetting van de behoeften waaraan moet worden voldaan en van de doelstellingen van de vooropgestelde aanleg rekening houdend met deze behoeften. Het college van burgemeester en schepenen legt de aanvraag uiterlijk drie maanden na de indiening ervan aan de gemeenteraad voor. Indien de gemeenteraad de aanvraag verwerpt, wordt zijn beslissing met redenen omkleed. Willigt hij haar in, dan wordt de procedure aangevat overeenkomstig de artikelen 43 tot 50. (114)
| |
273
|
Art. 57/1. Onder voorbehoud van de bepalingen van afdeling VI, zijn de bepalingen van de afdelingen III en IIIbis inzake de opmaak van het bijzonder bestemmingsplan van toepassing op de wijziging en de opheffing ervan
| |
274
|
Art. 62.§ 1. De gemeenteraad kan, hetzij uit eigen beweging, hetzij in de gevallen die zijn voorzien in afdeling IIIbis, de impliciete opheffingen vaststellen van de woordelijke en grafische bepalingen van een bijzonder bestemmingsplan, indien die niet in overeenstemming zijn met het gewestelijk bestemmingsplan of met de verordenende bepalingen van een richtplan van aanleg De Regering verleent haar goedkeuring binnen zestig dagen na de ontvangst van het met reden omklede besluit. Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn, wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. Het besluit van de Regering tot goedkeuring van de beslissing van de gemeente raad of naargelang het geval, het advies van de Regering vaststellende dat de goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad geacht wordt te zijn goedgekeurd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 2.
| |
275
|
Art. 63.§ 1. Als de opheffing van een bijzonder bestemmingsplan voor de volledige perimeter of een deel ervan werd gepland door een gemeentelijk ontwikkelingsplan waarin de milieueffecten van deze opheffing werden beoordeeld, dan keurt de gemeenteraad de opheffing goed binnen zes maanden na het in werking treden van het gemeentelijk ontwikkelingsplan. De Regering verleent haar goedkeuring binnen zestig dagen na ontvangst van de beslissing. Bij gebreke van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. Het besluit van de Regering tot goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad of naar gelang van het geval, het bericht van de Regering dat vaststelt dat de goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad geacht wordt te zijn goedgekeurd, worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het besluit van de Regering of, naar gelang van het geval, de beslissing van de gemeenteraad treedt in werking binnen de termijn vastgesteld door de Regering, of bij gebrek daaraan, 15 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. § 2.
| |
276
|
Art. 64.Alle bepalingen van het bijzonder bestemmingsplan hebben bindende kracht en verordenende waarde. Het kan : - een verkavelingsvergunning wijzigen of opheffen; - de verdelingen van een goed die overeenstemmen met het gedetailleerde perceelplan waarin het voorziet, vrijstellen van een verkavelingsvergunning Het blijft van kracht tot wanneer het volledig of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven wordt. (141)
| |
277
|
Art. 64/1. Het bijzonder bestemmingsplan mag afwijken van het vigerende gewestelijk bestemmingsplan en van de verordenende bepalingen van het vigerende richtplan van aanleg, mits behoorlijk met redenen omkleed en onder de volgende voorwaarden : 1° er mag geen afbreuk worden gedaan aan de wezenlijke elementen van het gewestelijk bestemmingsplan of richtplan van aanleg, noch aan de bepalingen van deze plannen die de aan de bijzondere bestemmingsplannen aan te brengen wijzigingen aanduiden; 2° de afwijking moet gegrond zijn op economische, sociale, culturele of milieubehoeften die niet bestonden op het ogenblik dat het gewestelijk bestemmingsplan of het richtplan van aanleg werd goedgekeurd; 3° er moet worden aangetoond dat de nieuwe bestemming beantwoordt aan de bestaande feitelijke mogelijkheden van aanleg. In een dergelijk geval houden de bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan of van het richtplan van aanleg waarvan wordt afgeweken, op te gelden
| |
278
|
Art. 65. De bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan kunnen beperkingen op het gebruik van de eigendom inhouden, met inbegrip van bouwverbod. (143)
| |
279
|
Art. 68.Het college van burgemeester en schepenen legt een rapport over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van de bijzondere bestemmingsplannen op het milieu en over de eventueel aan te brengen correcturen voor aan de gemeenteraad binnen de termijn die bepaald is bij artikel 39 of, bij ontstentenis van een goedgekeurd gemeentelijk ontwikkelingsplan, om de vijf jaar vanaf 1 januari 2018,. Het publiek wordt op de hoogte gebracht volgens de modaliteiten voorzien in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet. (149)
| |
280
|
Art. 69. Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de uitvoering van de bepalingen met bindende kracht en verordenende waarde van de in deze titel bepaalde plannen, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht. Ongeacht de bepalingen die andere overheden bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen als onteigenende instanties optreden : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de gemeenten van het Gewest en de openbare instellingen alsmede de organen die van het Gewest afhangen en bij ordonnantie bevoegd verklaard zijn om ten algemenen nutte te onteigenen. (151)
| |
281
|
Art. 70. Om over te gaan tot de nodige onteigeningen voor de uitvoering van een plan, moet de onteigenende instantie in het bezit zijn van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan dat geheel of gedeeltelijk toepasselijk is op het in het plan afgebeelde grondgebied. Wanneer de onteigening in het kader van de uitvoering van een bijzonder bestemmingsplan wordt gevorderd, kan het besluit van de Regering tegelijk op het bijzondere plan en het desbetreffende onteigeningsplan betrekking hebben. (153)
| |
282
|
Art. 71. Het onteigeningsplan moet de omtrek van de te onteigenen goederen aangeven, afzonderlijk of tot stroken samengevoegd, met kadastrale vermelding van de sectie, de nummers, de grootte en de aard der percelen, evenals van de naam der eigenaars. Het moet eveneens de onteigenende instantie(s) vermelden. Wat de uit te voeren werken en onroerende verrichtingen betreft, kan het onteigeningsplan zich tot het overnemen van de voorschriften van het plan beperken. (155)
| |
283
|
Art. 72. § 1. De gemeente onderwerpt het onteigeningsplan aan een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt door aanplakking aangekondigd. Het onteigeningsplan wordt gedurende dertig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging vermeld. Vóór de neerlegging van het ontwerp in het gemeentehuis worden de eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de te onteigenen goederen, er persoonlijk, met een ter post aangetekende brief en in hun woonplaats en in hun woonplaats van in kennis gesteld. Bezwaren en opmerkingen worden binnen de termijn van dertig dagen, bedoeld in het tweede lid, aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis gebracht en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college opgemaakt binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn. Het onteigeningsplan wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek binnen twintig dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd. Deze brengt haar advies uit binnen vijfenveertig dagen na de sluiting van het onderzoek. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven. Ten minste de helft van de termijn van vijfenveertig dagen valt buiten de periodes van de schoolvakanties. De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met drie maanden worden verlengd. Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijnen kan de onteigenende instantie bij een ter post aangetekende brief een aanmaning aan de Regering toezenden. Indien de onteigenende instantie, na het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang van de afgifte bij de post van de aangetekende brief met de aanmaning, de beslissing van de Regering niet heeft ontvangen, wordt het plan geacht te zijn geweigerd. Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed. Het besluit houdende goedkeuring wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Wordt het onteigeningsplan evenwel terzelfder tijd met het bijzonder bestemmingsplan opgemaakt, dan wordt het onteigeningsplan onderworpen aan de formaliteiten, bepaald voor de uitwerking van dit plan, onverminderd de in § 1, derde lid, voorziene bepalingen. Wordt tot de onteigening besloten door een andere instantie, openbare instelling of orgaan dan de gemeente waar de goederen gelegen zijn, dan komen de kosten van het door de gemeente gedane openbaar onderzoek ten laste van de onteigenaar. (157)
| |
284
|
Art. 73. Wanneer de onteigening wordt gevorderd met het oog op de uitvoering van het gewestelijk bestemmingsplan, wordt het onteigeningsplan na het advies van de overlegcommissie en vóór de beslissing van de Regering aan de Gewestelijke Commissie ter advies voorgelegd. (159)
| |
285
|
Art. 74. Wanneer de onteigenaar in het bezit is van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan, is hij ontheven van de administratieve formaliteiten welke door alle andere wettelijke bepalingen op de onteigeningen ten algemenen nutte zijn voorgeschreven. (161)
| |
286
|
Art. 75. Op verzoek van de onteigenende instantie worden de aankoopcomités van onroerende goederen ingesteld bij de Minister van Financiën, belast met alle aankopen en onteigeningen van goederen ter uitvoering van de plannen, evenals met het sluiten van alle overeenkomsten voor de ruilverkaveling of de herverkaveling van grondeigendommen. Die comités, alsmede de ontvangers van de Domeinen zijn, ongeacht de onteigenende goederen, bevoegd om de krachtens de plannen van aanleg aangekochte of onteigende percelen zonder bijzondere formaliteiten openbaar of onderhands te verkopen. Van de in dit artikel bedoelde akten kunnen grossen worden afgegeven. De voorzitters van de aankoopcomités zijn bevoegd om de onteigenende instantie of instelling in rechte te vertegenwoordigen. (163)
| |
287
|
Art. 76. De in dit hoofdstuk bedoelde onteigeningen zullen worden gevorderd met toepassing van de rechtspleging, ingesteld bij de wet van 17 april 1835 inzake de onteigening ten algemenen nutte, gewijzigd door de wetten van 27 mei 1870 en van 9 september 1907, of door de wet van 10 mei 1926 tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte. Wanneer het echter volstrekt noodzakelijk is onmiddellijk bezit te nemen van een onroerend goed of van een groep onroerende goederen, stelt de Regering dit vast in het besluit dat aan het onteigeningsplan bindende kracht verleent, of in een afzonderlijk besluit. In dat geval wordt de rechtspleging toegepast, ingesteld bij de wet van 26 juli 1962 inzake de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte. (165)
| |
288
|
Art. 77. Bij het bepalen van de waarde van het onteigende goed wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een bestemmingsplan voorzover de onteigening wordt gevorderd voor de uitvoering van de aanleg van dit plan. Bij het bepalen van de waarde wordt eveneens geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die het goed heeft verkregen door werken of veranderingen uitgevoerd met overtreding van de wettelijke en verordenende bepalingen inzake stedenbouw. (167)
| |
289
|
Art. 78. Onteigeningen die achtereenvolgens worden verordend ter uitvoering van een plan met inbegrip van de uitvoering van een wijziging aan dit plan, worden voor de waardebepaling van de te onteigenen goederen geacht een geheel te vormen op de dag van het eerste onteigeningsbesluit. (169)
| |
290
|
Art. 79. De krachtens dit hoofdstuk genomen onteigeningsplannen houden op te gelden na een termijn van tien jaar. Wanneer de bevoegde overheid de verwezenlijking van de in artikel 69 bedoelde bepalingen na de termijn van tien jaar wenst verder te zetten, wordt te werk gegaan overeenkomstig de artikelen 70 tot 76. (171) In dit geval kan de eigenaar een vergoeding aanvragen binnen de bij artikel 81 bepaalde grenzen onverminderd de vergoedingen die hem ter gelegenheid van de onteigening toekomen. (173)
| |
291
|
Art. 80. De bepalingen van artikelen 70 tot 74, 77 en 78 zijn van toepassing op de aankopen van goederen, nodig voor de uitvoering van de rooiplannen. Het besluit van de Regering kan evenwel bepalen dat het rooiplan slechts kan worden uitgevoerd naarmate de aanvragen om een stedebouwkundige- of verkavelingsvergunning worden ingediend; in dat geval zijn de bepalingen van artikel 79 niet van toepassing. (175)
| |
292
|
Art. 81. § 1. Schadevergoeding is al naar het geval verschuldigd door het Gewest of de gemeente, wanneer het verbod om te bouwen of te verkavelen voortvloeiend uit een bestemmingsplan met bindende kracht een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed normaal bestemd is op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan in zoverre de bepalingen ervan verordenende waarde en bindende kracht hebben. De waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen enerzijds de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de vóór de inwerkingtreding van het ontwerpplan of van het plan gedragen lasten en kosten, en anderzijds de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan kan in aanmerking komen voor schadeloosstelling. Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij de weigering van een stedenbouwkundige vergunning of van een verkavelingsvergunning, ofwel bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest, waartegen de beroepen waarin voorzien in dit Wetboek niet meer kunnen worden ingesteld. Het kan eveneens ontstaan op het ogenblik van de verkoop van het goed. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel, onder meer wat de vaststelling van de waarden van het goed en de actualisering ervan betreft. De waardevermindering van het goed volgend uit het bouw- of verkavelingsverbod, moet evenwel zonder vergoeding gedoogd worden ten belope van twintig ten honderd van die waarde. De vergoeding wordt verminderd of geweigerd indien en voorzover vaststaat dat de eiser op het grondgebied van het Gewest andere goederen bezit, die voordeel halen uit de inwerkingtreding van een plan of uit werken uitgevoerd op kosten van de overheid. Aan de verplichting tot schadevergoeding kan worden voldaan door een met redenen omkleed besluit van de Regering waarin de wijziging of de gedeeltelijke of volledige opheffing van bedoeld plan beslist of toegestaan wordt, met als gevolg dat er een einde wordt gemaakt aan het verbod om te bouwen, te herbouwen of te verkavelen. De gemeente kan niet overgaan tot een dergelijke gedeeltelijke of volledige opheffing als dat verbod eveneens ingesteld is door een hoger plan. § 2. Wanneer krachtens een plan met bindende kracht een bouwverbod kan worden ingeroepen tegen degene die een perceel in een verkaveling heeft aangekocht, kan het Gewest of de gemeente zich aan de verplichting tot vergoeding onttrekken door dat perceel van de betrokkene terug te kopen, mits de door hem betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en kosten, terug te betalen. Indien de betrokkene slechts eigenaar is van het bovenvermelde perceel, kan hij de terugkoop door het Gewest of de gemeente eisen door zijn wil te doen kennen bij aangetekende brief, die binnen twaalf maanden volgend op de bekendmaking van het bovenvermeld plan moet worden verzonden. In dat geval moet het perceel worden teruggekocht en betaald binnen het jaar na de kennisgeving. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling. § 3. Er is geen vergoeding verschuldigd in de volgende gevallen : 1° verbod te bouwen of te verkavelen als gevolg van een voorziene onteigening van het goed en zulks, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 79; 2° verbod een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het plan toelaat, of bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden; 3° verbod de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de termijn waarvoor de exploitatie was vergund; 4° verbod te bouwen op een terrein dat de bij het bijzondere bestemmingsplan bepaalde minimumafmetingen niet heeft; 5° verbod om een terrein dat, rekening houdend met de plaatselijke toestand, geen toegang heeft tot een voldoende uitgeruste weg, te verkavelen of te bebouwen; 6° verbod een terrein te verkavelen waarvoor een vroeger afgegeven verkavelingsvergunning vervallen was op de datum van de inwerkingtreding van het plan dat bedoeld verbod inhoudt; 7° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp, als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit de bepalingen, voorgeschreven in de wetgeving en in de reglementering betreffende de schade veroorzaakt door natuurrampen. (177)
| |
293
|
Art. 82. De aanvragen tot betaling van vergoedingen, ongeacht het bedrag ervan, behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg. Alle op dat stuk gewezen vonnissen, behalve de voorbereidende, zijn vatbaar voor hoger beroep. De aanvragen vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 81, § 1, derde lid. Indien geen vergunning wordt aangevraagd is de termijn tien jaar te rekenen van de datum van inwerkingtreding van het plan. Deze termijn wordt op vijftien jaar gesteld voor de vordering (179) tot vergoeding als bedoeld in artikel 79. (180)
| |
294
|
Art. 83. Bij ruilverkaveling of herverkaveling treedt het ruilverkaveld goed of de nieuwe kavel werkelijk in de plaats van het vorig goed. Mits de hierna voorgeschreven formaliteiten van openbaarmaking vervuld worden en onder voorbehoud van de uit bijzondere overeenkomsten voortvloeiende wijzigingen : 1° gaan de voorrechten en hypotheken en alle zakelijke rechten, erfdienstbaarheden uitgezonderd, die het vorige goed bezwaarden, de oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding van de titel van de eigenaar van bedoeld goed, alsmede de rechtsvorderingen van alle aard betreffende dat goed, van rechtswege over op het hele ruilverkaveld goed, met inbegrip van de erbij gevoegde nieuwe delen, of op de nieuwe kavel die in de plaats treedt van het vorige goed alsook in voorkomend geval op de prijs, de opleg of het saldo van de opleggen die aan de eigenaar van het vorige goed mochten toekomen ten gevolge van de ruilverkaveling of herverkaveling in hun geheel beschouwd; 2° worden het goed of de delen ervan die krachtens de ruilverkaveling of de herverkaveling in het vermogen komen van één of meer andere eigenaars, vrij van alle hierboven bedoelde rechten, oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding en rechtsvorderingen in dat vermogen opgenomen. De overbedeelde kwijt zich op geldige wijze door de prijs of de opleg in de Deposito- en Consignatiekas te storten. (182)
| |
295
|
Art. 84. In geval van vernietiging, herroeping of ontbinding heeft de overdracht van ambtswege plaats onverminderd de vergoedingsregeling die tussen partijen moet worden getroffen telkens als het ruilverkaveld perceel of de nieuwe kavel meer waard is dan het vorige perceel. (184)
| |
296
|
Art. 85.De gevolgen van de ruilverkaveling, zoals deze in artikel 83 zijn omschreven, kunnen slechts tegen derden worden ingeroepen nadat de akte tot vaststelling van de ruilverkaveling of herverkaveling op het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie is overgeschreven, en bovendien, wat de overdracht of het tenietgaan van de voorrechten en hypotheken betreft, pas vanaf de dag dat op de kant van de inschrijving betreffende die rechten melding is gemaakt van de tot stand gekomen overeenkomst. Die kanttekening geschiedt op verzoek van het aankoopcomité of de onteigenende instantie, tegen overlegging van de akte van ruil- of herverkaveling en van een borderel in tweevoud, dat benevens de op de kant te maken aantekeningen nog vermeldt : 1° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van partijen, alsmede van de schuldeiser; 2° de akten krachtens welke de voorrechten of hypotheken worden overgedragen; 3° de nieuwe beschrijving van het ruilverkaveld of herverkaveld goed; 4° de vermeldingen voorgeschreven bij de wetgeving inzake hypotheken. De Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie overhandigt aan de verzoeker de akte en één van de borderellen, waarop zij onderaan verklaart de melding te hebben gemaakt. Indien het Gewest de onroerende verrichtingen voor eigen rekening neemt, draagt het de kosten van de hypotheekformaliteiten ten aanzien van de rechten die de ruilverkavelde of herverkavelde goederen bezwaren. (186)
| |
297
|
Art. 86. Het recht van huur betreffende ruilverkavelde of herverkavelde goederen, met uitzondering van de pacht, gaat over op de nieuwe kavel die aan de verhuurder is toebedeeld, behoudens verlaging of verhoging van de huurprijs en tenzij de huurder de huurovereenkomst wenst op te zeggen. (188)
| |
298
|
Art. 87.De stedenbouw van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt door de voldoende verordeningen vastgelegd : 1. de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen; 2. de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. Deze verordeningen kunnen bepalingen bevatten om onder meer te voorzien in : 1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid en de fraaiheid van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, alsmede hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming; 2° de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning; 3° de instandhouding, de gezondheid, de veiligheid, de bruikbaarheid en de fraaiheid van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan; 4° de aanleg van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van de gebouwen, met name wat betreft de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de verwarming, de telecommunicatie en de vuilnisophaling; 5° de minimumnormen inzake bewoonbaarheid van de woningen; 6° de woonkwaliteit en het gemak van het langzaam verkeer met name door voorkoming van lawaai, stof en rook bij de uitvoering van werken, en door deze werken op bepaalde uren en dagen te verbieden; 7° de toegang voor personen met beperkte mobiliteit tot al dan niet bebouwde onroerende goederen of delen ervan toegankelijk voor het publiek, tot installaties en wegen; 8° de gebruiksveiligheid van een voor het publiek toegankelijk goed; 9° het behoud en de herwaardering van het erfgoed, onverminderd de bepalingen van titel V van dit Wetboek. Deze verordeningen kunnen met name betrekking hebben op de bouwwerken en installaties boven en onder de grond, op de uithangborden en de reclame-inrichtingen, de antennes, de leidingen, de afsluitingen, de opslagplaatsen, de onbebouwde terreinen, de beplantingen, de wijzigingen van het reliëf van de bodem, en de inrichting van ruimten ten behoeve van het verkeer en het parkeren van voertuigen buiten de openbare weg. Ze mogen niet afwijken van de opgelegde voorschriften inzake de grote wegen
| |
299
|
Art. 87/1. Met voorbehoud van de bijzondere gevallen voorzien in dit Wetboek, moeten de uitwerking, de wijziging en de opheffing van de stedenbouwkundige verordeningen bedoeld in artikel 87 het voorwerp uitmaken van een milieueffectenrapport. Het milieueffectenrapport, waarvan de Regering de structuur vastlegt, bevat de informatie die wordt opgesomd in bijlage C bij dit Wetboek, rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van de verordening, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau of verordenend niveau of op het niveau van de latere vergunningsaanvragen, waar het verkieslijk kan zijn de beoordeling te maken om een herhaling ervan te vermijden. Het milieueffectenrapport houdt rekening met de resultaten die verkregen zijn bij eerder uitgevoerde relevante milieubeoordelingen
| |
300
|
Art. 88 De Regering keurt een stedenbouwkundige verordening goed die van toepassing is op het hele gewestelijke grondgebied. Deze verordening is de " gewestelijke stedenbouwkundige verordening ". Bovendien kan zij stedenbouwkundige verordeningen goedkeuren die van toepassing zijn op een deel van het gewestelijke grondgebied. Deze verordeningen zijn " zonale gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen "
|
Subsets and Splits
No community queries yet
The top public SQL queries from the community will appear here once available.